Inwijding - Elisabeth Haich

2025-03-01 19:10

Type: Spiekbriefje

Leestijd: 53 min

Aantal pagina's: 34 blz (ipv 513)


Highlights & Notes

WOORD VOORAF

> Ik wil niet, dat jij me op de weg die ik ga om het doel te bereiken gewoon achternaloopt. Ga je eigen voor jou bestemde weg, die overeenstemt met je innigste neigingen. Neem niets voor waar aan, alleen omdat ik het zeg. Al is het honderdmaal waar, dan is het toch niet waar voor jou; dan is het toch niet jouw ervaring en het zal niet bij je passen. Realiseer het ware, dan hoort het bij je. Laat het leven van hen die de waarheid gerealiseerd hebben, alleen maar een bewijs zijn, dat het doel bereikt kan worden.

INLEIDING

> Achter deze schijnbaar eindeloze keten van geboorte en dood moet een diepe zin schuil gaan, hoe onverklaarbaar dit voor het verstand ook mag lijken: er moet een volkomen bevredigende en zinvolle verklaring van die andere kant zijn!

> Hoeveel ‘wie’ zouden er dus wel zijn? Hetzelfde Zelf spreekt door mijn mond en ook door die van jou en van alle schepselen. Het onderscheid ligt ’m alleen daarin, dat niet ieder schepsel het eigen Zelf volkomen kent en dus ook niet alle eigenschappen van het Zelf kan openbaren.

> Het ware, goddelijke Zelf is de volmaaktheid zelf; een ontwikkeling in Hem is dus niet mogelijk. Hoogstens moet het lichaam zich ontwikkelen om steeds hogere trillingen, steeds hogere frequenties van het Zelf te kunnen manifesteren.

> leder mens moet de volmaakte Zelfkennis op zijn eigen weg verkrijgen. Wat zou jij er aan hebben, als ik je over mijn weg zou vertellen?

> Gebeurtenissen zijn niet belangrijk, alleen de ervaringen, de leringen die men er uit trekt.

> Maar hoe langer ik tegen hem in moest gaan, des te sterker ontwikkelde zich mijn wil tot een tegenstand, die zijn krachten langzamerhand te boven ging. Het moment kwam, dat ik voldoende moed had hem te zeggen, dat ik niet langer wenste zijn vrouw te worden.

Eerste toekomstvisioenen

> Nu werd mijn aandacht gericht op een wereld, die diep in de mens verborgen ligt: de onbekende wereld, het onbewuste van het menselijke ik.

Tweede ontmoeting met de dood

> In die tijd echter besefte ik dat alles nog niet. Evenmin wist ik, dat deze toestand waarin de mens zich als het ware in de woestijn bevindt en in het diepst van zijn ziel om hulp roept, voorafgaat aan de verlossing.

Duisternis

> Ik wist niet, dat natuurlijke instincten te overwinnen de zwaarste yoga-oefeningen zijn, aangezien het ‘ik’ hierbij de beheersing over het lichaam moet houden. Door het lot werd ik hiertoe gedwongen en daardoor verkreeg ik een buitengewone beheersing over mijn zenuwen.

Omkeer

> In de liefde heeft ieder levend wezen de drang in zich één te worden met de ander. Ze willen dit echter lichamelijk beleven en ze drukken elkaar wederzijds tegen zich aan. Iedereen kan waarnemen, dat wanneer twee gelieven elkaar omarmen, hun lichamen zich rond de hartstreek tegen elkaar aandrukken; ze willen dus hun harten verenigen, in hun hart vereend zijn. Maar dat lukt niet. En waarom? Omdat het lichaam ertussen staat. De weerstand van het lichaam belet de eenwording.

> En waarom wil ‘ik’ deze eenheid? Waarom wil ‘ik’ iets dat onmogelijk is? Omdat ik weet, dat alleen de volkomen eenwording, dit geheel-en-al-identiek-worden mij kan bevredigen en dat ik alleen maar in deze toestand de werkelijke volslagen zaligheid verkrijg.

> Wat belet me dan die zaligheid te beleven? Het lichaam. Het lichaam staat tussen ons!

> Ergens, ééns, was ik er reeds in; ik ben er alleen maar uitgevallen.

> Zijn wij uit die wereld weggevallen – en in de materie, in het lichaam, in de aardse wereld terechtgekomen?

> En steeds weer vervallen we tot die reusachtige dwaling, dat we dat geluk, de eenheid, in het lichaam en met behulp van het lichaam in de seksualiteit willen bereiken en beleven. In het lichaam nog wel, dat het ons belet. O, nu begon ik enigszins te beseffen wat de ‘val uit het paradijs’ betekent.

> Het werd mij duidelijk, dat seksualiteit de grootste begoocheling is. De natuur belooft ons iets wonderbaarlijks, iets verhevens en indrukwekkends; ze belooft ons het hoogste geluk, de vervulling zelf, maar ontneemt ons de kracht daartoe; en op het moment dat we aan de grens van de vervulling staan, vallen we plotseling nog dieper dan waar we ons tevoren bevonden. We verliezen een heleboel kracht en je voelt je daarna als een bedelaar. Het Latijnse spreekwoord zegt ook, dat na de lichamelijke vereniging mensen zowel als dieren treurig zijn.

Strijd om het licht

> Ook ik wist niet, dat op mijn ontdekkingsreis naar die andere wereld uit het gebied van het onbewuste de onbekende krachten zich als wilde dieren op me zouden storten; dat dwaalwegen me zouden misleiden en dat afgronden van waanzin in deze wildernis loerden. En ook ik had alleen maar een kleine bijl: mijn gewone menselijk verstand!

> ‘De dingen op zichzelf zijn niet slecht, alleen de wijze waarop je erover denkt.’

> Wat ik door deze experimenten beleefde, bevestigde me in mijn overtuiging dat in vele gevallen astma niets anders is dan de onzichtbare wil van een ander, die zich als een drukkende last op de zieke doet gevoelen. Deze onzichtbare, niet verwerkelijkte wil kan echter ook uit de eigen wil, uit het onbewuste stammen en ziekten veroorzaken zonder dat de patiënt wist, dat zijn eigen wil hem ziek maakte.

Gelofte

> Hoeveel zieken zijn er niet die, omdat ze zich normaal gedragen en geen teken op hun voorhoofd dragen dat ze geestesziek zijn, onwetende mensen misleiden; vaak nemen ze hoge posities in, ze treden in het huwelijk met nietsvermoedende, vertrouwende mensen, maar dan richten ze allen die bij hen horen – hun omgeving en familie, ja hele ondernemingen en zelfs hele volken – te gronde.

> Alle verzoekingen waar je tot dusverre niet tegen bestand was, zullen je weer beproeven, weer opduiken in je leven, en o wee, als je het er deze keer niet goed van afbrengt.

Het gloren

> Ik herkende de verschillende expressies van een en dezelfde kracht, van de laagste, gemeenste aandrift tot het hoogste, geestelijke Zelf. Ik merkte, dat we de vrije keuze hebben ons met de aandrift te identificeren of de aandrift – dus onszelf – de baas te blijven. Ik ervoer dat die mens vrij is, die zijn aandriften de baas is, en die niet de slaaf is van zijn hartstochten, begeerten en verlangens.

Visioenen

> Ik leerde de doodsangst kennen. Zoals altijd sloeg ik mezelf gade en kwam er achter, dat doodsangst iets lichamelijks is. In mijn bewustzijn was er rust, ik had geen angst voor de dood, en toch leed ik onder zo’n ontzettende doodsangst, dat ik er geen woorden voor kan vinden. Het was eenvoudig niet te verdragen.

> ik wilde bewust de dood ingaan, alleen maar om van die doodsangst af te komen

> Er zijn veel vrouwen, die zich verbeelden goede en opofferende moeders te zijn omdat ze hun kinderen verzorgen, verplegen. Nee! Ik was geen goede moeder, want ik verpleegde mijn kind en deed alles om zijn leven te redden om mijnentwil.

> Het was niet het kind dat ik liefhad, maar alleen mijzelf en daarom wilde ik het redden. Het was voor mij zo van belang, ik was met hem zo nauw verbonden en in mijn ziel met hem verweven, dat ik zelfs de gedachte niet verdroeg, dat hij uit mijn leven zou kunnen verdwijnen.

> Ja, ik wist, dat uit de zonnevlecht van de mens een onzichtbare kracht stroomt, die – als de mens iets werkelijk wil – tot een reusachtige kracht kan uitgroeien, die zelfs de aantrekkingskracht van de aarde te boven gaat.

> Van mijn standpunt uit zou het de grootste ramp geweest zijn het kind te verliezen. Maar ik mag de Grootste Macht niet bidden om persoonlijke, subjectieve dingen, want Hij weet wat goed is en waartoe het dient, en ik mag het kind niet willen behouden vanuit mijn kortzichtig menselijk standpunt. En het kind? Voor hem is het ook het allerbeste als Gods wil geschiedt, hoe die ook mag zijn.

> Zonder het te weten had hij een Indische methode gebruikt om zich te concentreren. De Indische yogi’s kiezen een zwarte plek op de muur, of een kristallen bol en daar staren ze naar. Het kind deed precies hetzelfde, want die tor was net als een zwarte plek en zo kwam de jongen waarschijnlijk onwillekeurig in trance. En daardoor werd een herinnering aan zijn vorig leven in hem wakker.

Morgenrood De Ayur-Veda

> Hoe naïef is de mens, de onwetende mens! Hoe zou iemand in dat ‘grote werk’ medewerker kunnen zijn, als hij zelf het doel nog niet bereikt heeft? Als hij met zichzelf nog niet in het reine is gekomen? Maar ieder ontwaakt mens vervalt tot deze kinderziekte, dat hij meteen de mensheid wil verlossen in plaats van eerst zichzelf te verlossen.

> De Veda’s zijn de heilige boeken van de Indiërs, de verhevenste filosofie ter wereld. De Veda’s bestaan uit verschillende delen. Ayur-Veda is de wetenschap der gezondheid; ze bevat alle geheimen van het menselijk lichaam, de ziekten, de genezingen en het gezond blijven.

> Ze wisten ook, dat myriaden onzichtbare kleine schepselen (wij noemen ze tegenwoordig bacteriën) oorzaak zijn van ziekten; maar ze wisten ook, dat de bacteriën de cellen zijn van het onzichtbare lichaam van een demonische geest, waar het Westen, met uitzondering van enkele ingewijden – zoals bijvoorbeeld Paracelsus – eenvoudig nooit onderzoek naar gedaan heeft. De boze geest neemt een of meer mensen in bezit; hij dringt met zijn lichaam in de mens binnen, en als deze mens dezelfde trillingsfrequentie heeft als de boze geest, wordt hij ziek. Er zijn echter altijd mensen die niet aanslaan op trillingen van de demon, en die worden niet ziek. Die zijn – zoals het Westen ze noemt – immuun.

> elke ziekte komt voort uit bezetenheid door allerlei demonen.

> Goud ontwikkelt zich onder de grond gedurende miljoenen jaren door een langzaam proces uit de gewone grove materie der aarde. Als we dit proces verder ontwikkelen, kunnen we het goud nog in een andere materie veranderen, die met deze allerhoogste energie geladen is. Zoals men een stuk gewoon ijzer magnetisch kan maken, kan men ook uit gewoon goud magnetisch of “levend goud” ontwikkelen. Het magnetisme van het goud is echter een veel hogere energie dan het magnetisme van ijzer. Het heeft dezelfde trillingsfrequentie als onze eigen levenskracht; deze energie is het leven zelf en werkt op alle schepselen in als een wonder.

> Om dit preparaat te produceren heeft men – evenals het ei het bevruchten van de haan nodig heeft om het leven van de latente in de actieve toestand te brengen – een krachtbron nodig, die de latente krachten van de goudmoleculen tot activiteit brengt, en uit de dode materie van het goud levende materie maakt. Deze krachtbron is de mens zelf. De voortplantingskracht kan men niet alleen door het lichaam, maar ook op een ander vlak, als energie aan de dag laten komen.

> Om een bepaald proces in allerlei stoffen, in dit geval in goud, in beweging te zetten, gebruikt de mens de uitstraling van zijn eigen levensenergie. Als hij echter deze kracht via zijn seksuele organen verbruikt, heeft hij zich in die zenuwcentra die juist nodig zijn om de levensenergie in haar ongetransformeerde oervorm uit te stralen, in de latente toestand verplaatst. Deze zenuwcentra openen of sluiten zich automatisch. Een man brengt deze energie in zijn seksuele organen óf in zijn hogere zenuwcentra. Maar hij kan zijn levensenergie niet tegelijkertijd in beide organen leiden! U zult begrijpen, dat als een vader zijn zoon in deze wetenschap inwijdt, de zoon met de gelofte van zwijgen ook de gelofte van algehele onthouding moet afleggen.

> Als de mensheid zich zo ver ontwikkeld heeft, dat het merendeel der artsen zich bereid verklaart de seksuele lusten op te geven om te kunnen genezen, zullen de ingewijde Ayurvaidika’s van meet aan hen hun waarheden en geheimen onthullen. Maar voorlopig zijn de westerlingen er alleen maar op uit elk van hun ontdekkingen te benutten om elkaar schade toe te brengen.

> Wat zouden ze niet doen, als ze het geheim van de kosmische energie en de nog hogere levensenergie leerden kennen?

> Hoe willen ze de onvoorstelbare kracht, die een vergeestelijkt mens bezit, leren kennen als ze niet proberen die te verkrijgen? Deze kracht kan men zich noch met geld, noch door macht, verwerven. De prijs, die men ervoor betalen moet, is onthouding, verzaking! De mens echter, die deze prijs ervoor betaald heeft, ontdekt daarna dat hij eigenlijk niets verzaakt heeft, want hij heeft in plaats van het sterfelijke het onsterfelijke, en in plaats van het vergankelijke, het onvergankelijke gevonden. Een betere ruil kan een mens niet tot stand brengen!

> Eén raad geef ik u, als u sneller vooruit wilt komen, als u dieper in de geheimen van het menselijk wezen en leven wilt binnendringen, beoefen dan yoga!’

> De Ayurvaidika verklaarde verder, dat elke met gedachteconcentratie verrichte handeling eigenlijk reeds yoga is, want de enige mogelijkheid het grote doel te bereiken is het zich concentreren. Yoga leert ons echter de in de loop van duizenden jaren vervolmaakte, kristalheldere methoden, hoe men zich systematisch kan concentreren en hoe men de concentratie systematisch kan versterken. Er zijn allerlei yoga-paden: namelijk concentratieoefeningen voor lichaam, ziel en geest. Door deze oefeningen komen de verhevenste vermogens van de mens tot ontwikkeling: zijn geestesoog, zijn geestesoor opent zich, hij wordt zichzelf de baas en daardoor ook de scheppings- en lotsbeschikkingskrachten. Het opent de mens de weg tot zaligheid – je zou kunnen zeggen: de weg tot zelfverwerkelijking, – tot God!

> Hij moet de zeven beproevingen betreffende de menselijke deugden doorstaan. Dat zijn:

  • vrij komen van zinnelijkheid,

  • beïnvloedbaarheid,

  • ijdelheid,

  • toorn,

  • hebzucht,

  • afgunst,

  • lichtgeraaktheid (prikkelbaarheid).

Het werd licht

> ik wist dat lezen alleen maar nodig is om te weten wat men moet doen. Als men het doel – het Zelf – wil bereiken, moet men het verwerkelijken.

Verleden wordt heden

> Onze lagere natuur is precies zo’n dier als een leeuw. Beide moet men constant onder controle houden, dan dienen ze ons met hun geweldige kracht. Let daar steeds op.

> Inwijding betekent bewust worden. Je bent nu tot een bepaalde graad bewust die in overeenstemming is met de weerstandskracht van je zenuwen en je lichaam.

> de goddelijk scheppende krachten op de onderste tree van de openbaringsladder bewust te maken, betekent: lichamelijke liefde beleven.

> deze ervaring moet je achter je hebben, anders kun je haar niet beheersen.

> je gelooft alleen maar, dat de liefde voor jou geen gevaar betekent omdat je deze geweldige kracht niet kent. Moedig zijn tegenover een gevaar dat wij niet kennen, is geen moed, geen kracht, maar alleen onwetendheid, zwakheid.

> Als je de liefde in haar werkelijkheid hebt leren kennen, als je haar beleefd hebt, als je duidelijk inziet, wat deze kracht is, kom dan terug en ik zal je de inwijding geven

> De inwijding vergt ook, dat je volmaakte zelfbeheersing bezit.

De Zonen Gods

> Er leefde eens op aarde een ras, dat heel anders was dan de tegenwoordig op aarde levende mensenrassen. Dat ras manifesteerde ten volle de geestelijke wet en niet de wet der materie, zoals de tegenwoordige mensenrassen. Dat ras was bewust op het goddelijke niveau en openbaarde God hier op aarde, zonder de eigenschappen van het lichaam – de zelfzucht – ermee te vermengen.

> Ze kenden ook het geheim hoe een kracht zich omzet tot materie en omgekeerd, hoe materie tot kracht wordt.

> Maar in die tijd leefden er op aarde reeds andere mensen, die op de Zonen Gods geleken, maar met een veel materialistischer ingesteld lichaam en op een veel lagere trap van ontwikkeling. Stompzinnig als ze waren, identificeerden zij hun bewustzijn geheel en al met het lichaam.

> Het ras van de mensenzonen dat je in ons land ziet, is uit de kruising van deze twee rassen ontstaan.

> De aarde bevindt zich nu in een periode waarin het proces van de materialisatie zich afspeelt. Dat betekent, dat de goddelijke scheppende kracht steeds dieper en dieper in de materie dringt en de macht op aarde langzamerhand terechtkomt in handen van steeds materialistischer rassen, die vroeger onder de leiding stonden van hogerstaande, geestelijk ingestelde rassen. Dat hogerstaande ras sterft langzamerhand uit. Het trekt zich uit de materie op het geestelijke vlak terug en laat de mensheid – met de tijdmaat van de aarde gemeten zijn dat vele duizenden jaren – alleen, opdat deze zonder zichtbare leiding zelfstandig omhoog kan komen.

> Het hogere ras moest echter alvorens de aarde te verlaten, zijn geestelijke krachten injecteren in het lagere ras, opdat – overeenkomstig de wet van de erfelijkheid – na een zeer langdurig proces van ontwikkeling het opstijgen uit de materie weer mogelijk zou worden.

> Het nageslacht van het goddelijke ras werd steeds geringer in aantal; ze verlieten hun stoffelijk omhulsel en incarneerden niet meer.

> En op zekere dag, toen de Zonen Gods zich in hun geïsoleerde schepen voldoende ver verwijderd hadden, gebeurde het ongeluk: een zwarte magiër zond onopzettelijk een kracht, die de materie oplost – dat wil zeggen, tot een andere vorm van energie omzet – in zijn eigen lichaam. Als echter dit proces eenmaal op gang gebracht is, werkt de reeds in energie omgezette materie als vernietigende kracht verder en steeds verder, totdat ze alles gedematerialiseerd heeft. Zo werd dat hele werelddeel vernietigd totdat de door dit proces gewekte energieën geremd werden en de krachten der vernietiging tenslotte ophielden. Dat gehele gedematerialiseerde werelddeel zette zich om in stralingsenergie, die eerst omhoogging tot de bovenste grens van de aardatmosfeer en toen vandaar terugkeerde en vervolgens omgezet werd tot de oervorm van alle materie. Na nog verdere omzettingsprocessen stortte de gehele reusachtige massa op de aarde terug als een water-, slijk- en zandregen waar geen einde aan scheen te komen. De watermassa’s van de oceanen sloten zich over de breuk in het geweldige lichaam van de aarde. De werelddelen van het andere halfrond barstten door de onvoorstelbare schok en schoven, om het evenwicht van de aarde weer te herstellen, steeds verder uiteen tot ze, globaal genomen, hun tegenwoordige plaats innamen. Gedeeltelijk ligt het verwoeste werelddeel als machtige zandwoestijn in ons land en er bestaat het dreigende gevaar, dat de winden deze zandbergen verder met zich meesleuren en bewoonde vruchtbare landstreken bedelven.

> Nog heden ten dage bezitten we deze instrumenten waarmee we de aantrekkingskracht van de aarde neutraliseren, of soms juist versterken – dat wil zeggen, dat wij ze kunnen richten.

> Dat betekent feitelijk dat het bloed van een Zoon Gods ook dan zuiver blijft als hij kinderen verwekt bij een dochter der mensen. Maar het bloed van een dochter Gods zou vermengd bloed worden, als ze met een mensenzoon een huwelijk sloot. Dan zou ze van dat moment af een vermenging zijn, zoals ook haar kinderen van gemengd ras zouden zijn.

Jaren van voorbereiding

> Van de geboorte af – dus vanaf het moment dat het “Zelf” in het lichaam huist – ontwikkelt dit lichaam een weerstand, evenredig aan de gemiddelde bewustzijnsgraad van de geest die immanent in dat lichaam is. De graad van bewustzijn van een mens schommelt, al naar gelang zijn gemoedstoestand, binnen de grenzen van een trillingsoctaaf. Die schommelingen mogen echter de grenzen van de elasticiteit der zenuwen niet te boven gaan, want anders treden er min of meer ernstige ziekten en beschadigingen op; ze kunnen zelfs de dood ten gevolge hebben.

> Daarom wordt de levensenergie vanuit de ruggengraat, waar zij zetelt, door verschillende zenuwcentra tot een lagere trillingsfrequentie getransformeerd, die overeenstemt met de graad van bewustzijn van dat moment, en wordt alleen deze getransformeerde levensstroom in het lichaam gebracht.

> De grote inwijding betekent: de levensenergie, de scheppende vibratie van het eeuwige Zijn, op elke trap van ontwikkeling en ook in haar oorspronkelijke frequentie zonder transformatie bewust te beleven en tegelijkertijd in de zenuwbanen en in het lichaam te geleiden.

> We beginnen met lichaamsoefeningen. Deze oefeningen gaan gepaard met sterke concentratie. We oefenen ons in allerlei lichaamshoudingen samen met ademhalingsoefeningen en moeten ons bewustzijn met behulp van deze oefeningen op de verschillende lichaamsdelen richten. Door langdurig en volhardend oefenen kunnen we op deze wijze het hele lichaam volledig bewust maken,

> zowel de kleinste lichaamsdelen als alle inwendige organen bewust in beweging brengen, beheersen en richten. Hiermee bereiken we, dat het lichaam een perfect werktuig wordt.

> Door deze droombeelden roepen wij willekeurig allerlei gemoedsbewegingen in onszelf op en leren deze de baas te worden. Met behulp van deze oefeningen voert Mentuptah ons door de verschillende sferen van de onder- en bovenwereld, door de zeven hellen en de zeven hemelen en hij leert ons onder alle omstandigheden onze tegenwoordigheid van geest te bewaren om in de moeilijkste omstandigheden meteen te kunnen beslissen wat ons te doen staat.

> Deze oefeningen moeten we bij de diepste negatieve toestand beginnen en dan de belevenissen langzaam, stap voor stap, tot de hoogste positieve toestand opvoeren. We beginnen bijvoorbeeld ons in de diepste neerslachtigheid in te leven, dan beleven we langzaam opklimmend onverschilligheid, gaan dan hoger, steeds hoger tot we de uiterste vrolijkheid en tenslotte het gevoel van het allerhoogste geluk ervaren.

> Als we dan alle zielstoestanden van het somberste leed tot het hoogste gevoel van geluk goed en vlot beheersen, mogen we een tree hoger stijgen en moeten we tegengestelde zielstoestanden zonder overgang achter elkaar beleven.

> De zin van deze oefeningen is, dat we noch aan het gebeuren in de buitenwereld, noch aan onze stemmingen overgeleverd zijn, maar in staat zijn zelf onze zielstoestand te bepalen en bijgevolg onder alle omstandigheden het evenwicht in onze ziel te handhaven.

> De betekenis van de oefening met de droombeelden ligt ’m daarin, dat we ons eerst een aanleiding indenken om ons in deze of gene zielstoestand te verplaatsen.

> We ontdekken dat elke bewustzijnstoestand uit onszelf voortkomt en altijd alleen maar van binnenuit ontstaat.

> Als eindresultaat moet de leerling het vermogen verkrijgen de toestand van volmaakte zielenrust onder alle omstandigheden ongeschokt te bewaren en er nooit uit te geraken. Bovendien brengen deze oefeningen iemand het inzicht en de ervaring bij dat, wat er ook op aarde geschiedt, dit slechts een vergankelijk, door het Zelf in tijdruimte geprojecteerd droombeeld is. Wij hoeven het alleen maar in zoverre ernstig op te vatten, dat onze ervaring er door zal toenemen.

> Het duurt echter heel lang, voordat men deze graad bereikt. Men moet zichzelf constant scherp in de gaten houden, mag zich geen moment vergeten, maar moet voortdurend bewust zijn, waakzaam zijn, en elk gevoel, elke gedachte analyseren, uit welke laag van het Zelf die stamt. En dat speel je niet van vandaag op morgen klaar.

> Ik mag mezelf niet veroorloven, dat de gedachten naar believen onordelijk binnen in mij ronddwalen, ik moet mezelf integendeel bevelen aan een bepaald voorgeschreven iets van belang te denken. Ik moet mijn gedachten op één enkel punt samentrekken, ze aldus een centripetale in plaats van een centrifugale richting geven.

> Concentreren betekent, zoals je zei, alle krachten, alle gedachten op één punt richten, in één punt samentrekken, alle krachten van het verstand, van het bewustzijn samenvatten en samenhouden. Maar als ik me op een zin concentreer, kan ik de krachten van mijn verstand niet in één punt samentrekken.

> Je hebt ontdekt, dat het onmogelijk is zich op woorden te concentreren. Dat je je zin tenslotte cirkelvormig hebt voorgesteld, was een juist streven naar concentratie. Hoe nauw je de woorden ook samentrekt, ze vormen nog altijd een cirkel en in het middelpunt kom je nooit. Je hebt ervaren, dat de woorden weerstand bieden tegen je concentratievermogen en dat je ze daarom niet in het middelpunt kunt samentrekken.

> ‘De woorden zijn het kleed, de stoffelijke restverschijnselen van de zin van de woorden. Als ik in het middelpunt terecht wil komen, moet ik de woorden, die mij belemmeren loslaten, en mij alleen op de zin van de zin concentreren, zonder woorden, zonder vorm.

> Toen ik me alleen op de zin van de zin wilde concentreren, kon ik er niet meer aan denken, maar het hele innerlijke proces verplaatste zich van het hoofd naar de borstkas en de betekenis kan ik niet meer denken – maar ik voelde en beleefde die. Op het moment, dat ik me zonder woorden op de betekenis van deze zin concentreer, word ik zelf deze betekenis.

> Je hebt ontdekt dat de concentratie niet een duurzame toestand kan zijn, maar alleen een overgang is tussen de geprojecteerde wereld en het Zijn. Als jij je gedachten op iets concentreert, kun je niet bij het denken blijven, want de concentratie voert je naar je Zelf terug en je wordt dat waarop je je concentreert. Uit het denken ontstaat door concentratie een zijnstoestand. Het denken houdt geheel en al op en de denker wordt met de gedachte identiek. Iets denken, betekent een inhoud door het verstand, als in een spiegel, naar buiten projecteren, dus uit zich naar buiten stappen. En door concentratie trekt men het geprojecteerde weer terug – dat wat men gedacht heeft, het gedachte, wordt weer identiek met de denker, met zichzelf. De twee factoren worden tot een volmaakte eenheid verenigd.

> De gedachten konden mij nog her- en derwaarts doen gaan. Maar ik liet me niet meesleuren. Ik bleef pal waar ik was, bij de palm, en onmerkbaar langzaam gleed ik verder, steeds verder naar binnen, waar de gedachten me niet meer konden volgen en me niet meer konden storen. Hier en daar verschijnt nog een gedachte, die als een vermoeide ronddolende zwerver door mijn verstand sluipt. Nu kijk ik vanuit een besef van zekerheid naar deze enkele, vermoeide gedachte, maar ik bekommer me alleen om de palm… ik denk aan de palm ... de palm vult langzaam aan mijn gehele wezen… Dagen, misschien wel weken, gaan voorbij – dat weet ik niet. Ik weet trouwens niets meer van de buitenwereld, want ik ben met mijn gehele aandacht uitsluitend op de palm geconcentreerd. En dan opeens heb ik dat merkwaardige gevoel, dat ik de boom niet van buitenaf, maar van binnenuit zie ... Weliswaar neem ik met mijn fysieke ogen de uiterlijke vorm van de palm waar, maar ik begin hoe langer hoe meer het innerlijke wezen, het bezielende, scheppende beginsel van de palm te zien, zelf te beleven, TE ZIJN

> ‘ik ben de palm geworden – of, liever gezegd, ik heb ontdekt dat de palm steeds ik was. Alleen was ik me daarvan niet bewust. ’

> hoe vaak zal ik nog zo voor hem staan en bekennen, dat ik mijn mond voorbijgepraat heb, dat ik alweer geen weerstand kon bieden aan de kracht die de mensen dwingt zich te uiten, zich uit te spreken.

> door deze voortdurende zelfobservatie wordt het mij allengs tot een tweede natuur om, voordat ik spreek, eerst naar binnen te luisteren of ik al dan niet toestemming heb te spreken. Langzamerhand leer ik alleen dan de mond open te doen als ik iets te zeggen heb. En ik herken twee wezens in me: een persoonlijk ‘ik’ – dat graag dikwijls zou willen babbelen, zonder controle, alleen maar uit mededeelzaamheid, om de aandacht op mijn persoon te vestigen – en op de achtergrond van mijn bewustzijn het hogere ‘Zelf’, dat dit ‘ik’ tegenhoudt en beveelt wanneer en wat het moet spreken of doen en wanneer het hoort te zwijgen en passief te blijven. Men hoort dan toch alleen zijn aandacht te schenken aan de bevelen van dit hoger Zelf en Het te gehoorzamen. Want zijn bevelen horen – dat doet iedereen!

> als jij jezelf tijdens de concentratie gadeslaat, zul je kunnen vaststellen dat je in de concentratie drie fasen doorgaat: een verstandelijke, een gevoelsmatige en een geestelijke fase.

> Denken is de brug tussen niet-weten en weten.

> Als nu je weten met betrekking tot het onderwerp van je concentratie volledig is, ga je van het denken over naar het voelen. Dat is de tweede fase van de concentratie.

> Als je nu dat voorwerp van je concentratie op deze manier verstandelijk en gevoelsmatig geheel en al beleefd hebt, ga je over naar de derde fase, de geestelijke concentratie. Dat betekent, dat je in je bewustzijn met het voorwerp van je concentratie identiek wordt: je bent het. Dat noemen we de Zijnstoestand. In deze toestand hoef je over dit iets niet meer na te denken, het niet meer te voelen, omdat je het zelf geworden bent.

> De volledige concentratie betekent met het voorwerp van de concentratie identiek worden, te Zijn. Alle andere concentratiefasen stellen een afgescheiden zijn voorop.

> En nu de allerzwaarste opgave: Concentreer je op je zelf! Eerst nadenken wie je bent, dan voelen wie je bent, en tenslotte moet je zijn wie je bent!

> Doordat je op aarde bewust bent geworden, ben je verstrikt geraakt in je verstand, in je gevoelens, en heb je alleen maar gedacht en gevoeld wat je bent, maar nooit heb je kunnen zijn wie je bent.

> De persoonlijkheid mag niet méér zijn dan een middel tot openbaring van het Zelf. De mensen zijn echter zo vergroeid met dit masker, dat ze er niet meer van los kunnen komen.

> Ze drijven hun eigen hoger Zelf in ballingschap, in het onbewuste. Het verstand veroorzaakt de splitsing, maar het is ook het verstand dat door concentratieoefeningen en bewustwording helpt om uit dit gesplitst zijn, dit verstrikt zijn te geraken.

> Luister goed: het is niet voldoende, dat je denkt wie je bent, dat je voelt wie je bent: want je moet zijn wie je in je ware wezen bent! Dat is je concentratieopgave tot aan je inwijding.

De Boom der Kennis van Goed en Kwaad

> Ik heb gemerkt, dat zoals een muntstuk twee kanten heeft en toch een eenheid is, ook het tweelingpaar zwijgen en spreken de twee kanten van een enkele eenheid zijn.

> Denk nu eens na over iets heel belangrijks: Als dit blad op dit witte vlak verschijnt in een kleur groen, betekent het, dat het zijn vorm in de complementaire kleur – in dit geval dus rood – als zijn onzichtbare, negatieve beeld in het Al heeft achtergelaten. Onthoud dit: Wat je ook ziet, het is alleen daarom te herkennen, omdat het zich van zijn complementaire helft gescheiden heeft en deze in het Onzichtbare, Ongemanifesteerde, is achtergebleven! Inzicht verkrijg je pas door de twee van elkaar gescheiden kanten – het positieve en het negatieve – te vergelijken.

> Alleen doordat het positieve, van het negatieve gescheiden, tevoorschijn komt en wij die twee met elkaar kunnen vergelijken, is de schepping herkenbaar. Er is geen inzicht tenzij de Eenheid zich in tweeën splitst – in een geopenbaarde en het complement ervan, het ongeopenbaarde – waardoor beide door ze te vergelijken herkenbaar worden.

> Wat je ook openbaart in de wereld der kennis, het complementaire tegendeel blijft in het ongeopenbaarde. Als je spreekt, blijft in het ongeopenbaarde de negatieve kant van het spreken, namelijk het zwijgen. En als je zwijgt blijft de positieve zijde van het zwijgen in het ongeopenbaarde: het spreken.

> Nooit kan iets zich manifesteren, zich herkenbaar maken, tenzij het tegengestelde – het complementaire tegendeel – tegelijkertijd in het ongeopenbaarde aanwezig is. Als zich iets positiefs manifesteert, blijft het negatieve in het ongeopenbaarde, en omgekeerd, als zich het negatieve openbaart, blijft het positieve ongeopenbaard. Waar het ene verschijnt moet zijn complement er ook zijn, zij het dan slechts in een ongemanifesteerde toestand. Hun saamhorigheid bindt hen eeuwig aan elkaar.

> De ondeelbare, goddelijke Eenheid openbaart zich dus altijd en overal, want ook in deze schijnbare scheiding werkt ze verder als de overal aanwezige aantrekkingskracht tussen positief en negatief. Ze streven naar hun oorspronkelijke toestand terug, in de goddelijke eenheid. Wat er ook in de zichtbare wereld verschijnt, uiteindelijk kan het zich niet van de goddelijke eenheid afsplitsen: ééns, vroeger of later, zal het zich weer verenigen met zijn complement, zich in de goddelijke eenheid.

> De kracht echter die, immanent in al het bestaande, alles tot de eenheid terugdwingt, noemen wij God.

> Alleen door deze splitsing, ontstaan uit de eenheid – die noch goed noch slecht maar goddelijk is – bestaat het goede en het kwade. Alleen door de splitsing werd kennis, inzicht, mogelijk. En daarom moet de kenbare wereld bestaan uit goed en kwaad, anders was ze niet kenbaar en hoegenaamd niet mogelijk.

> De gehele schepping is de boom der kennis van goed en kwaad!

> Schepping betekent steeds alleen maar de ene, uit de eenheid weggevallen, door vergelijken kenbaar geworden, helft van het Geheel, waarvan het complement in het Ongeopenbaarde gebleven is.

> Van iets “eten” betekent “identiek worden met”, want wat je eet, daaruit zul je bestaan, dat zul je zijn. Doordat je bewustzijn zich met je lichaam heeft geïdentificeerd, heb je – symbolisch uitgedrukt – van de vruchten van de Boom der Kennis van Goed en van Kwaad gegeten en ben je tegelijkertijd aan het rijk des doods toegevallen.

> jouw lichaam is het gevolg, het resultaat van de afscheiding; het is alleen maar de zichtbare helft van je ware Zelf. De andere helft is in het ongeopenbaarde, onbewuste deel van je wezen gebleven. Als je die complementen met elkaar verenigt, herenigt, kun je je weer in de goddelijke eenheid bevinden!

> Je kunt echter de goddelijke eenheid met je complement toch in het lichaam beleven: in een bewustzijnstoestand! Je kunt je bewustzijn zo uitbreiden, verruimen, tot je je onbewuste volledig bewust maakt, je ongeopenbaarde en onzichtbare helft bewust beleeft en zo de goddelijke eenheid in je bewustzijn verwerkelijkt. Je kunt je bewustzijn, terwijl je lichaam in de zichtbaar-geschapen wereld vertoeft, weer met je ware Zelf – waar je uit weggevallen bent – tot volmaakte eenheid brengen en reeds tijdens je lichamelijk bestaan de zaligheid Gods beleven – God zijn.

> Elk schepsel zoekt zijn complement om er zich weer mee te verenigen. De positieve verschijningsvormen – de mannelijke – zoeken de negatief-vrouwelijke en omgekeerd. Dit streven van de positieve en de negatieve kracht maakt de wezenlijkste structuur uit van de materie, of liever gezegd: er bestaat gewoon geen materie zonder dit streven. Want dit streven naar de eenheid – naar de toestand God te zijn – maakt de aantrekkingskracht tussen de positieve en negatieve krachten uit, en de gehele wereld is opgebouwd op dit streven naar de goddelijke oertoestand. De bron van alle krachten in de geopenbaarde wereld is juist dit streven. De natuur maakt er gebruik van, en, geprojecteerd in het lichaam, daaruit ontstaat de seksuele kracht. Zolang echter een levend mens zijn andere helft buiten zich zoekt, in de geschapen, kenbare wereld, zal hij de eenheid nooit vinden, aangezien zijn complement nu eenmaal niet daarbuiten in dit gemanifesteerde, van hem gescheiden, aanwezig is, maar – niet van hem gescheiden – in het eigen ongeopenbaarde, in het onbewuste.

> Er zou geen levend wezen kunnen zijn, als het niet zijn complement in het ongemanifesteerde had.

> het tegengestelde van alles wat jij in je bewuste deel bent en manifesteert, ligt besloten in je onbewuste deel, dat desondanks ook tot jou behoort, ook nog jij bent. Je vindt je complement niet buiten je – ook jij niet in een man van vlees en bloed – maar alleen in het onbewuste deel van je eigen zelf. Als je deze twee helften van je zelf in het bewustzijn verenigt, bevind je je weer in het Niets-Alles, ben je weer met God identiek geworden.

> En aangezien in deze vereniging, die zich in je bewustzijn afspeelt, dat eeuwige verlangen van je gemanifesteerde wezen ophoudt – immers het heeft zijn complement gevonden en is er tot een eenheid mee versmolten – houdt ook het seksuele verlangen van je lichaam eens en voor altijd op. Je wordt in jezelf vervolmaakt; je beleeft reeds in het lichamelijk bestaan de goddelijke toestand: de onsterflijkheid, de zaligheid – “het is volbracht” .

De twaalf paren van eigenschappen

> De twaalf paren van eigenschappen zijn:

  • zwijgen – spreken -

  • ontvankelijkheid – vasthoudendheid

  • volgzaamheid – heerszucht

  • deemoed – zelfvertrouwen

  • overijldheid – bezonnenheid

  • kritiekloosheid – onderscheidingsvermogen

  • behoedzaamheid – moed

  • bezitloosheid – overmaat (aan bezit)

  • ongebondenheid – trouw

  • geldingsdrang – ingetogenheid

  • doodsverachting – zich vastklampen aan het leven (levensdrang)

  • ongehechtheid – liefde

> Je weet nu echter al, dat waar zich negatieve krachten openbaren, ook positieve krachten aanwezig moeten zijn, maar dan in het ongemanifesteerde.

> Om een geschikte medewerker aan het grote werk te worden moet men eerst het gehele scala van de paren van eigenschappen meester zijn. Dus moet je proeven van bekwaamheid hierin afleggen. Beheersing van die eigenschappen wil zeggen, dat je deze eigenschappen aanwendt op het juiste moment en op de juiste plaats. Dezelfde eigenschap, die op de juiste plaats en te rechter tijd goddelijk is, wordt, op de verkeerde plaats en de onjuiste tijd aangewend, satanisch. Want God schept alleen maar het goede en schone en ware. Er bestaan geen slechte eigenschappen en geen slechte krachten, maar wel slecht aangewende eigenschappen en slecht aangewende krachten.

> Gods wil herken je, als je alles wat van je verlangd wordt, grondig toetst of het ook met je diepste overtuiging overeenstemt.

> Je moet je ervan bewust zijn, dat alle schone, goede en ware eigenschappen HEM toebehoren; dat de persoon een instrument tot manifestatie, een projectieapparaat van het goddelijke is, maar op zichzelf beschouwd slechts een lege omhulling is.

> Als nuttige medewerker aan het grote werk moet je leren alles te aanvaarden wat het lot je brengt. Het zijn niet de uiterlijke omstandigheden, die je je waarde verlenen, maar alleen in hoeverre je God openbaart. Vernederingen en verdeemoediging, jou door de wereld aangedaan, kunnen je innerlijke waarde niet verminderen of teniet doen. Maar loftuitingen en zo kunnen deze ook niet vermeerderen. En zo moet de manier waarop onwetenden je behandelen, je niet van je stuk brengen. Je blijft wie je bent, ongeacht of men je nu geringschattend bejegent of je roemt. Leer met alle omstandigheden tevreden te zijn en ze, helemaal niet van je stuk gebracht, te accepteren. Als je werkzaamheid bij het grote werk van je vergt in grote armoe te leven of een hoge positie in te nemen en te beschikken over een enorm vermogen, moet je zowel het ene als het andere beschouwen als middel tot het grote doel. Niets mag verandering brengen in je innerlijke instelling. Op die manier gebruikt, wordt het “alles-aanvaarden” goddelijk. Je moet echter steeds nagaan – zelfs als niets je innerlijk van je stuk brengt – wanneer je je als voorvechter van de hogere Leiding moet verdedigen tegen verdeemoedigingen of beledigingen – en wanneer je je bescheiden moet opstellen wanneer men je lof verkondigt. Het “alles-aanvaarden” moet nooit ontaarden in apatisch “zich afzijdig houden” of in laffe “karakterloosheid”.

> Zonder volmaakt onderscheidingsvermogen is men voor het grote werk onbruikbaar.

> Je mag nooit vergeten – hoe vaak je ook moedig moet vechten – dat je met geestelijke wapens moet strijden om “vrede” op aarde te brengen. Je moet vechten om tweespalt en verdeeldheid tot een eenheid om te zetten en om tussen strijdenden vrede te stichten. Maar nooit mag er uit je vredelievendheid een laffe of gemakzuchtige onbereidheid tot vechten ontstaan.

> Ook de materie is openbaring Gods, je moet dus ook de materie als iets goddelijks op prijs stellen, de materie leren beheersen en erover beschikken.

> Zolang je in het aardse gebied verblijft, moet je met, maar niet zonder de materie en ook niet tegen de materie handelen. Het is nodig dat je de materie kunt vatten en bijeenhouden, dat je de materie op de juiste wijze gebruikt en beheert, want anders ben je volledig aan de aardse machten overgeleverd en kun je, aan hen onderworpen, je aardse opdracht niet onafhankelijk en vrij uitvoeren. Maar zorg, dat het goddelijke vermogen de materie te beheersen niet verwordt tot satanische, egoistische “bezitzucht” .

> Heb niet de persoon lief, maar heb in die persoon het goddelijke lief; verdraag het aardse en ga het duivelachtige uit de weg.

> Heb God lief in ieder mens, dan zul je aan geen enkele persoonlijkheid gebonden zijn.

> Ook moet je je geest door je persoonlijkheid heen openlijk voor het publiek, zonder gêne, zonder geremdheid kunnen tonen. Nooit mag echter de kunst van “te tonen wie je bent” de duivel der ijdelheid in je wakker maken en ontaarden in zelf-tevredenheid, een willen opvallen door en pronken met je van God ontvangen begaafdheden.

> De allerhoogste, goddelijke liefde is de ongehechte liefde! Het moet je volkomen onverschillig zijn, of iets of iemand mooi of lelijk, goed of kwaad, waar of onwaar is; je moet allen gelijkelijk liefhebben. Je moet leren, dat het schone er zonder het lelijke niet zou zijn en dat het goede er zonder het kwade ook niet zou zijn. Je moet Ieren, dat het ware er zonder het onware niet zou zijn. En zo moet je alles gelijkelijk liefhebben. Je moet erkennen, dat het mooie en het lelijke, het goede en het kwade, het ware en het onware slechts de elkaar vervolledigende spiegelbeelden van het Onuitsprekelijke zijn dat wij nu eenmaal “God” noemen.

> Evenmin als God zich mengt in de aangelegenheden der mensen, maar hen hun vrije wil laat, moet ook jij je medemensen hun vrije wil laten en hen nooit met geweld tot iets dwingen. Je bereidheid tot helpen moet alles bekijken vanaf het standpunt van het zielenheil en niet van het standpunt van aards en fysiek welzijn.

> Pas als je de genoemde twaalf paren van eigenschappen of hoedanigheden volledig beheerst, kun je de stem Gods zo duidelijk waarnemen, dat je met zekerheid voelt, wat je, zelfs in de moeilijkste gevallen, uit ware liefde moet doen en wat je moet laten.

...

Telepathische oefeningen

> Zonnestralen oefenen een werking uit die tegen geestelijke manifestaties ingaat. Na zonsondergang houdt deze werking op; het bewustzijn kan zich dan van bepaalde zenuwcentra losmaken en zich in het geestelijke terugtrekken. De mensen gaan slapen. “Slapen” betekent het bewustzijn uit het lichaam in de geest terugtrekken. En aangezien de meeste mensen de diepere lagen van de geest niet bewust kunnen bereiken, verliezen ze hun bewustzijn – ze slapen in.

> De oefening bestaat daarin, dat men, zoals dat bij elke concentratieoefening gebeurt, zijn gehele aandacht vestigt op een enkele gedachte.

  • Denk dus volkomen geconcentreerd aan die persoon met wie je in verbinding wilt treden – je mag hiervoor je verbeeldingskracht (imaginatie) inschakelen:

  • met gesloten ogen stel je je die persoon voor, je ziet hem innerlijk in je, zijn gestalte, zijn gezicht, zijn ogen, en je stelt je voor, dat jij die persoon bent en dat die persoon jij is, totdat je inderdaad het gevoel hebt, dat zijn handen jouw handen zijn en jouw lichaam zijn lichaam is, totdat je aldus de volkomen identiteit beleeft.

  • Als je dit bereikt hebt, denk dan helder en duidelijk en geconcentreerd de gedachte, die jij wilt overbrengen. Denk die gedachte met het intense bewustzijn, dat jij die bepaalde persoon bent en dat die persoon in jou deze gedachte denkt.

Deze oefening heeft drie fasen:

  1. eerst oefen je in bijzijn van de persoon met wie je het contact wilt maken en wel zodanig, dat hij zich op jou instelt.

  2. Naderhand zul je dezelfde oefening op een afstand herhalen op een tevoren afgesproken uur, waarbij beide partijen weten, dat de ander zich op hem concentreert.

  3. Tenslotte zul je door contact op afstand iets mededelen, zonder dat de ander er vooruit van afweet.

> Maar vergeet dit niet: wat op het geestelijk gebied goddelijk is, omdat het overeenstemt met de wetten van de geest, wordt op het materiële vlak satanisch, omdat het overeenstemt met de wetten van de materie. Eenheid van geest is mogelijk; eenheid van lichaam echter niet: twee lichamen kunnen niet dezelfde plaats innemen.

De toekomst

> Hoe lang zal het nog duren eer ik me niet langer door mijn driften laat overrompelen, me niet langer met uiterlijke indrukken identificeer, maar steeds al mijn fysieke, psychische en mentale krachten de baas ben?

> Mijn bewustzijn vangt weliswaar de boodschap van het lichaam op dat het voedsel nodig heeft, en ik neem dat waar als hongergevoel, maar het ‘ik’ in mij drinkt niet en eet niet; hoe zou ik ook maar een moment kunnen vergeten, dat deze functies slechts dienen om het lichaam gezond te houden?

> Er ontstaan meer varianten en verschillen, tot tenslotte de evolutiemogelijkheid om de hoogste tree van kennis en de inwijding te verkrijgen in ieder mens aanwezig zal zijn. Het enorme onderscheid tussen de alwetende, ingewijde leden van de heersende dynastie en de nog volledig onwetende en onontwikkelde mensenmassa, dat een onoverbrugbare kloof schijnt te zijn, wordt door de voortdurende kruisingen door de millennia heen volledig weggewist. De heerser en het volk worden beide als mens gelijk. De twee rassen: de Zonen Gods en de oermensen zullen in hun zuivere vorm zoetjesaan helemaal verdwijnen, maar er zullen aldoor enkelingen van de meest uiteenlopende niveaus van ontwikkeling geboren worden: bij de een openbaart het geërfde bloed van het goddelijke voorgeslacht zich sterk, bij de ander het lage, oermensachtige.

> Door deze voortdurende kruisingen tussen de twee rassen wordt een evolutieladder gecreëerd, waarop zelfs de primitieve oermens die op de laagste tree staat zich omhoog kan werken. Want ook de oermensen zijn niet anders dan in de dichtste materie gevallen zuivere geesten, die door identificatie met de materie hun goddelijk bewustzijn verloren hebben en zich niet langer van hun verheven oorsprong bewust zijn.

> Door deze huwelijken hebben ze zich echter zelf ook in de stoffelijke wereld verankerd en nu moeten ze de gehele evolutieperiode tot aan de volledige vergeestelijking van de aarde, als helpers meemaken: sommigen in menselijke reïncarnatie, anderen in lichaamloze, geestelijke staat.

> Ze zullen al hun instrumenten vernietigen, voordat ze het aardse gebied voor duizenden jaren verlaten. Een van de laatste ingewijden – reeds uit een ander volk dan het Egyptische – maar die toch hier zal opgroeien en de inwijding verkrijgen, zal zo’n instrument uit Egypte weten te redden en een tijdlang zullen de priesters van dat volk het geheim kunnen behoeden. Maar dan komt het moment, dat de laatste ingewijde de aarde moet verlaten en hij zal deze laatste instrumenten vernietigen. Hij zal het moeten doen, opdat de onwetende mensenzonen niet uit louter machtswaan en bezitzucht elkaar, zichzelf en door de kettingreactie weer grote werelddelen, zullen vernietigen.

> De geestelijke leiders der aarde moeten, althans naar de schijn, de mensheid aan haar lot overlaten, omdat de mensen de goddelijke waarheden in zichzelf en in de natuur, geheel zelfstandig, uit vrije wil, onafhankelijk van anderen zullen moeten vinden. Anders zouden ze nooit de gelegenheid hebben zich tot het hoogste niveau te verheffen. Maar zoals een goede moeder haar kind zelf zal laten proberen te lopen opdat het zelfstandig wordt, maar toch haar kind van een bepaalde afstand gadeslaat om het weer op de been te helpen als het valt, zo observeren de geestelijke leiders de aarde om, zo dat nodig is, in te grijpen en de mensen uit moeilijke posities te helpen.

> Alle Zonen Gods brachten dezelfde waarheden naar verschillende werelddelen en zullen het steeds weer doen, maar de mensen zullen ze al naar gelang van de gesteldheid van hun ras en hun niveau van ontwikkeling op uiteenlopende wijze verklaren en aan hun nageslacht doorgeven! Zo zullen er uit dezelfde waarheden verschillende godsdiensten ontstaan. Het zal geschieden, dat een en dezelfde Zoon Gods in verschillende tijdperken en verschillende werelddelen reïncarneert om de mensheid de verhevenste waarheden te verkondigen. En uit dezelfde waarheden, die uit dezelfde geest stammen, zullen de mensen in de verschillende werelddelen verschillende godsdiensten ontwikkelen. Wegens zulke verschillen, die alleen maar uit menselijke onwetendheid ontstaan, zullen de volkeren elkaar in “Gods naam” naar de hel sturen en elkaar in oorlogen bevechten.

> Wanneer de mensen zich niet met hun lichaam identificeren, of symbolisch uitgedrukt: wanneer ze niet meer eten van de Boom der Kennis van Goed en van Kwaad, maar uitsluitend de rechterhelft van de Boom der Kennis manifesteren en de linkerhelft ongeopenbaard laten, zullen ze in zichzelf en als kinderen der aarde in een paradijsachtige toestand leven. Deze trap van ontwikkeling moet de mensheid bereiken.

> Door de vele millennia heen zullen de gerijpte mensen eveneens de inwijding verkrijgen, maar dan niet meer zoals nu in de piramiden, maar ze verkrijgen hun opdrachten in het leven in de buitenwereld en deze opdrachten vormen hun inwijdingsbeproevingen. Op deze wijze ontwikkelen ze zich langzaam tot volmaakt gelijkwaardige medewerkers van de Zonen Gods.

> dat jij je toekomst in een dichte nevel ziet, is het bewijs dat het universele zelf, God, jou de toekomst om goede redenen niet wil tonen. Hoe zou ik tegen zijn wil ingaan? Wees ervan verzekerd, dat het beter voor je is je toekomst niet te kennen. Als je die zou kennen, zou je je opdrachten en plichten van nu niet naar behoren kunnen vervullen.

Bo-Ghar en de levensstaf

> Het geheim van de staf hoort ook bij de inwijding. We moeten het geheim houden, omdat de staf niet alleen levenwekkend, maar ook dodelijk kan zijn; en als het geheim van de staf in handen kwam van onwetende en zelfzuchtige mensenzonen, zouden deze hem meteen verkeerd gebruiken.

> Tenslotte ontdekken we dat een kracht die gezeteld is in de omgeving van de hartkuil ons dwingt adem te halen en onze ademhaling van daaruit bestuurt. Als ik mijn aandacht richt op dit punt, kan ik de hartwerking door middel van de verbeeldingskracht, de imaginatie, versnellen of vertragen – ik kan dus mijn hartwerking beheersen.

> Zolang je gelooft, dat jij het bent die ademhaalt, ben je in je bewustzijn met je lichaam identiek en niet met het Zelf. Wanneer je echter in je bewustzijn gewaar wordt, dat je lichaam jouzelf inademt en jou weer vrijlaat bij het uitademen, dan kun je de grote transmutatie beleven, dat jij uit je persoon – uit het met leven vervulde lichaam – je Zelf wordt.

> Oefen dus van nu af op deze wijze, dat niet jij in- en uitademt, maar dat jij je door het lichaam laat in- en uitademen. Bij elke ademhaling krijg je dan het gevoel, dat jij bij het inademen je lichaam met levengevende kracht vult en je lichaam jou inademt; en bij het uitademen trek jij je uit het lichaam terug en blijf je – van het lichaam gescheiden – in jezelf tot de volgende inademing. Als dat je gelukt, zul je iets beleven net als bij het sterven van het lichaam, waarbij jij je eruit terugtrekt en je lichaam je voor de laatste keer uitademt.

De leringen van Ptahhotep: De zeven trillingsoctaven De Arke des Verbonds

> God is alomtegenwoordig en de uitstraling van zijn alomtegenwoordigheid openbaart zich in de zichtbare stoffelijke wereld als natuurwet. Bijgevolg kan er niets gebeuren buiten de wet der natuur. Alleen is de wet op elke tree van ontwikkeling anders. De wet werkt anders in de geestelijke dan in de zielenwereld, en weer anders in de wereld der materie.

> De mensen weten weinig van de krachten die in de natuurwetten werken, behalve zij die deze krachten in het leven van alledag hebben leren kennen. Ze zijn eraan gewend geraakt en ze noemen deze verschijnselen natuurwetten.

> Maar omdat de mensen, deze verschijnselen dag-in, dag- uit ervaren, zijn ze eraan gewend en verwonderen ze er zich niet meer over. Dat echter uit een zaad een plant groeit, dat een kind geboren wordt, dat een mens sterft, of dat de wind uit de vier kompasrichtingen verschillend werkt en nog veel meer verschijnselen van alledag zijn precies zulke wonderen als de werking en het geheim van deze staf en de andere “wonderen” en “toverijen” van de ingewijden.

> de hele zichtbare en herkenbare schepping – is daarentegen de val uit het evenwicht.

> Alle energieën, alle krachten, in het universum, zijn bewegingen die van één punt – hun eigen middelpunt – in kringvormige golven uitstralend en uitdijend, uitgaan en zich als pulserende vibratie, trillingen, manifesteren. De manifestaties van kracht houden pas op als de uit balans geraakte krachten zich weer in de oorspronkelijke toestand van evenwicht, in de goddelijke eenheid, bevinden. De oorspronkelijke toestand betekent dus dat iedere stoffelijke verschijningsvorm ophoudt te bestaan. De materie is in haar kern ook bewegend en als deze beweging ophoudt, houdt ook de materie op te bestaan. Zolang de driedimensionale, stoffelijke wereld bestaat, is onrust, beweging, haar onveranderlijke wet.

> Die vibraties, die wij met behulp van onze zintuiglijke organen onmiddellijk in ons bewustzijn gewaarworden, geven we al naar gelang onze gewaarwording, verschillende namen: materie, geluid, elektriciteit, warmte, smaak, reuk, licht; de nog hogere, stofloze energieën en stralingen, die wij alleen met onze hogere zenuw- en hersencentra kunnen waarnemen, noemen we: gedachtegolven, ideeëngolven, en nog hogere, nog dieper doordringende stralen en frequenties tot de allerhoogste, alles-doordringende frequenties van de goddelijk-scheppende kracht: het leven zelf.

> Zo werken er overal in het heelal onvoorstelbaar veel soorten trillingen, van de kortste tot de langste golflengte. Alle scheppingen, te beginnen met de hemellichamen – de centrale zonnen van het heelal – tot het allerkleinste individuele wezen, dat hele scala aan openbaringsvormen, zijn werkingen, op allerlei wijzen samengestelde verschijningsvormen van deze stralingen. Wij leven temidden van deze verschillende stralen, of we dat nu beseffen of niet – sterker nog: deze stralen en energieën hebben ook ons mensen opgebouwd en gevormd en ze werken constant door in ons lichaam, in onze ziel en in ons gehele wezen. Het hele universum bestaat uit deze verschillende trillingen. De bron van deze scheppende vibraties noemen we God.

> Bijgevolg biedt ook elk punt de mogelijkheid dat God er zich door openbaart, en alles wat in de kenbare wereld gemanifesteerd is en bestaat, draagt dit punt als het eigen middelpunt in zich. Vanuit dit punt begon de eerste openbaring – zijn schepping, de val uit het evenwicht. Dit aspect van God, dat de wereld der materie schept en levend maakt doordat het alles doordringt, dus dat wat in ons, in alle schepselen, het Leven zelf is noemen we het “Hoger Zelf”.

> De groei voltrekt zich steeds vanuit het middelpunt van binnen naar buiten; de innerlijkste bron van alle krachten en openbaringen is God.

> Dit aspect van God dat zich in de materie hult, dat uit verschijnselen levende wezens maakt, en dat wij het Hoger Zelf (Logos) noemen, trekt ons ook in ons middelpunt terug, omdat wij uit de goddelijke eenheid, uit de paradijstoestand, gevallen zijn.

> De levensbron achter elke openbaringsvorm, of het nu een zon, planeet, mens, dier, plant of materie is, is dezelfde God, hetzelfde goddelijke Zelf. Hoewel dezelfde God overal aanwezig is en zich door ieder schepsel openbaart, zijn toch de openbaringsvormen zo verschillend, omdat God zich op iedere tree van de openbaringsmogelijkheden manifesteert, en de op al die verschillende treden gemanifesteerde verschijningsvormen (fenomenen) alleen maar zoveel van God openbaren als elk – overeenkomstig zijn niveau – bewust kan beleven en verdragen van de goddelijk-scheppende kracht. Want een kracht bewust beleven betekent deze kracht te zijn en haar tegelijkertijd naar alle kanten, dus ook in het eigen lichaam, uit te stralen.

> Weet ook, dat de chemische verbinding van de materie bepaalt welke trillingen een lichaam kan verdragen.

> In de materiële wereld zijn er vier niveaus van manifestatie die we naar hun verschijningsvorm en hun bewustzijnsgraad materie, plant, dier en mens noemen.

> Elk niveau van verschijningsvormen toont een graad van bewustzijn die een octaaf hoger ligt. Alleen de mens heeft het vermogen meerdere bewustzijnsniveaus – tot aan het goddelijke bewustzijn van het Zelf – te manifesteren. Als we ons aan de intervallen – octaven – houden, waarnaar we tot dusverre de ontwikkelingsniveaus hebben ingedeeld, merken we dat de categorie mens op de evolutieladder die van de aarde tot de hemel reikt vier treden inneemt en dat elke sport een octaaf betekent in het scala van vibraties.

> De mensen kennen deze vier graden en noemen deze:

  • mens, gekenmerkt door zijn verstand;

  • genie, gekenmerkt door intuïtie;

  • profeet, gekenmerkt door zijn wijsheid en universele liefde; en de laatste en hoogste sport,

  • de God-mens, gekenmerkt door zijn alwetendheid en zijn almacht.

> Er zijn dus in de materiële wereld vier openbaringsvormen, die samen zeven trillingsoctaven manifesteren.

> Elk schepsel straalt dezelfde vibratie uit waaruit hijzelf bestaat, dus die welke hij bewust verdraagt.

> De materie, de allerlaagste trap van bewustzijn, openbaart zich alleen maar door samentrekking, afkoeling en verharding.

> De plant openbaart reeds twee trappen: de stoffelijke en haar levenschenkende – vegetatieve – kracht. De stoffelijke vibraties manifesteert de plant onbewust, ze draagt haar lichaam als een kleed, maar de trap van haar bewustzijn is het materie-bezielende – vegetatieve – vlak. De kracht van dit vlak heeft drie kenmerken waaraan men haar, wáár ze ook tot expressie komt, herkent: het zoeken van voedsel, het opnemen van voedsel en de assimilatie of het verteren van het voedsel.

> Het dier openbaart drie krachten, de stoffelijke, de vegetatieve en de dierlijke. Het heeft een lichaam, het zoekt zijn voedsel, eet en verteert het en is bewust op het vlak van het dierlijke-psychische: het heeft gemoed, instincten, aandriften, gevoelens, sympathie, antipathie en begeerten. Het dier is tot de derde graad van evolutie bewust, slechts één graad lager dan de mens.

> De doorsneemens staat een trillingsoctaaf hoger: hij is bewust op het mentale vlak, heeft verstand, denkvermogen. Maar hij manifesteert ook de drie andere graden. De stoffelijke kracht: hij heeft een lichaam; het vegetatieve, het lichaam bezielende: hij zoekt zijn voedsel, neemt het tot zich en verteert het; de animale: hij heeft gemoed en gevoelsleven, aandriften, sympathie, antipathie en begeerten. Zijn kenmerkend niveau is echter zijn verstand. De mens denkt bewust.

> Met de volgende graad van ontwikkeling zet de mens de grote stap voorwaarts: hij tilt zijn bewustzijn uit de wereld der werkingen naar het niveau van de oorzaken. Hij put uit de goddelijke bron van het causale gebied en openbaart de kracht die als intuïtie in zijn bewustzijn verschijnt. Hij is in staat met behulp van zijn verstand en zielskracht zijn ervaringen op het hogere gebied in woorden te vatten en aan zijn medemensen mede te delen. Hij kan zijn intuïtie echter ook in de kunst laten blijken: zonder dimensies in de muziek, als componist; in twee dimensies met lijnen en kleuren, als schilder; in drie dimensies door plastische vormen, als beeldhouwer of als danser. Men noemt de scheppend-werkzame mens genie. Hij openbaart de vijf trillingsoctaven van de stoffelijke, vegetatieve, animale, mentale en causale krachten.

> De bewustzijnsgraad van het volgende hogere trillingsoctaaf noemt men profeet. Hij openbaart alle voorafgaande niveaus, maar is ook nog op het volgende gebied bewust: op het gebied van goddelijke wijsheid en de universele liefde. Nooit mag men echter deze universele liefde die overeenstemt met de zesde trap en een volmaakt geestelijke kracht is, verwarren met de “liefde” van de derde, dierlijke graad, die de openbaring is van de dierlijke aandriften. Die “liefde” is een drie-graden-verder neerwaarts getransformeerde trilling en de bron van deze vibratie is de aandrift, de soort in stand te houden. Een dergelijke liefde is bezitzucht en wil altijd alleen maar het lichaam. Ze dwingt een mens vlakbij de beminde andere te komen, die te omhelzen, te kussen, tegen zich aan te drukken, om kort te gaan: de ander te bezitten. Wie aan deze liefde onderworpen is, leeft in zijn bewustzijn nog in de toestand van de splitsing en zoekt zijn lichamelijke complement ter wille van de bevrediging. Deze liefde wil altijd nemen, iets hebben, bezitten.

> De liefde is de zesde graad van openbaring. De liefde van de profeten komt niet voort uit de splitsing, maar uit de oorspronkelijke toestand van de goddelijke eenheid. Daarom is deze liefde universeel, steeds gevend, nooit nemend, ze heeft geen complement meer nodig, geen lichamelijke openbaring, maar ze straalt vanuit het bewustzijn van de goddelijke Al-Eenheid. De mensen, die op dit niveau bewust zijn, willen niemand bezitten – ze voelen zich één met het Al: ze zijn Al-Een.

> De zevende en volmaakte openbaring Gods is de algeheel bewust geworden mens: de Godmens. Alle overige openbaringsvormen manifesteren slechts neerwaarts getransformeerde trillingen, slechts een gedeelte van God. Godmens is wie God – zijn eigen goddelijke Zelf – ten volle, in zijn volmaaktheid, door een volmaakt bewustzijn openbaart: die de goddelijk-scheppende krachten in hun oorspronkelijke, ongetransformeerde trillingen – frequenties – beleeft en uitstraalt.

> Alleen de mens heeft dit vermogen alle zeven trillingsoctaven te beheersen en uit te stralen, aangezien zich in zijn zenuwstelstel de zenuwcentra bevinden die overeenkomen met de zeven octaven van de getransformeerde en ongetransformeerde scheppingskracht. Hij is echter alleen in staat de vibraties van dat niveau uit te stralen, waarop hij bewust is geworden, want zolang hij op een bepaald niveau nog niet bewust is, blijven de overeenkomende zenuwcentra in latente toestand.

note: deze opdeling doet denken aan de opdeling van Laurency van (mogelijk:)

  • materie --> wereld 49 (of fysieke wereld) ?

  • plant --> wereld ?

  • dier --> wereld 48 (of emotionele wereld)

  • mens --> wereld 47 (of causaal mentale wereld)

  • genie --> wereld 46 (of essentiële wereld)

  • profeet --> wereld 45 (of superessentiële wereld) of mss wereld 44?

  • godmens --> wereld 44 (submanifeste wereld) of mss wereld 43?

> De doorsneemens zal dus de trillingen tot aan het vierde vlak uitstralen, het genie tot het vijfde, de profeet tot het zesde, en alleen de God-mens is in staat alle zeven octaven bewust uit te stralen en de goddelijk-scheppende kracht naar eigen believen in ongetransformeerde toestand uit te stralen of om te zetten, te veranderen en als lagere – getransformeerde – frequenties verder te geleiden.

> De staf kan een zegen zijn of een vloek. Dat hangt ervan af wie hem in handen krijgt. Een ingewijde is in staat alle scheppingskrachten – van de verhevenste-goddelijke tot de laagste uiterst-stofgerichte – met deze staf naar believen uit te stralen, omdat hij al deze krachten in zijn eigen wezen bezit en door de staf verder geleidt.

> Met de staf kan de ingewijde alle natuurkrachten beheersen, versterken of opheffen. Alle schepselen bezitten deze krachten, maar steeds in een vorm die overeenstemt met hun graad van evolutie. Ze gebruiken die krachten ook, maar zijn er zich niet van bewust.

> ik kwam alleen maar zover dat ik kon vaststellen, dat ik wanneer ik iets wil een kracht uitzend en deze kracht kan richten. Als ik bijvoorbeeld, zoals u daarnet zei, mijn arm uit de toestand van ontspannen neerhangen – hij hangt neer omdat de aarde hem aantrekt – omhoog wil heffen, dan stroomt de kracht die door mijn wil uit me stroomt in mijn arm en dwingt mijn spieren zich samen te trekken en zodoende de arm op te tillen.

> doordat je wilskracht in je arm en spieren stroomt, heb je in je arm de aantrekkingskracht van de aarde – deze enorme natuurkracht – overwonnen.

> Als je je wilskracht zou kunnen versterken en in je lichaam opslaan, dan zou je de aantrekkingskracht van de aarde langduriger kunnen overwinnen en je op grotere afstand van de aarde ophouden. Je zou kunnen zweven! Maar dat kun je nog niet, omdat je nog niet bewust bent geworden op het goddelijk gebied.

> Elke kracht heeft op aarde haar materialisatie, en daardoor merken we dat er een materie is die overeenstemt met alle krachten en vibraties en die het weerstandsvermogen heeft ze te verdragen en te geleiden, of zelfs het vermogen heeft ze in zich op te slaan en dan tijdens een bepaalde tijdruimte uit te stralen.

> Uit deze materie zijn de lichamen samengesteld en opgebouwd die in overeenstemming zijn met de diverse bewustzijnsniveaus; maar niet alleen uit de met haar bewustzijnsniveaus overeenstemmende materie, maar ook uit die materie, die draagster is van de vibraties beneden haar bewustzijnsniveau.

> De materie van de planten bijvoorbeeld bezit niet alleen het nodige weerstandsvermogen voor de vibraties van de vegetatieve levenskracht, maar ook dat voor de eigen vibraties van de materie, omdat planten een uit materie gevormd lichaam hebben. De zenuwen en lichamen der dieren dragen zowel de met het dierlijk niveau overeenstemmende animale kracht, als de een octaaf lagere vibraties van de vegetatieve levenskracht en de nog weer één octaaf lagere vibraties van de stoffelijke frequenties.

> De zenuwen van de doorsneemens bijvoorbeeld hebben voldoende weerstandskracht om de trillingen van het mentale vlak te verdragen, en evenzo de telkens een octaaf lagere trillingen van het animale, het vegetatieve en het materiële vlak.

  • Met de mentale energieën denkt hij en is hij op dit niveau bewust;

  • met de animale energieën voelt hij en beleeft hij alle gemoedstoestanden;

  • de vegetatieve krachtstromen ‘belevendigen’ zijn lichaam en tenslotte

  • is zijn lichaam uit materiële of stoffelijke krachten opgebouwd.

En zo gaat het steeds hoger tot aan de Godmens, die al zijn hersen- en zenuwcentra bewust gebruikt en in staat is de allerhoogste trillingen van het leven, dat zijn centrale zetel heeft in het ruggenmerg, zonder deze te transformeren naar zijn zenuwcentra en zijn lichaam te geleiden en eveneens uit te stralen. De materie van zijn lichaam bezit het weerstandsvermogen dat opgewassen is tegen de allerhoogste goddelijke kracht en vanzelfsprekend ook tegen de getransformeerde trillingen van de overige zes niveaus van openbaring.

> De lichamen van de mensen op de diverse niveaus van evolutie bestaan dus slechts schijnbaar uit dezelfde materie. In werkelijkheid zijn ze samengesteld uit allerlei chemische elementen en de weerstand hiervan stemt steeds overeen met het niveau van bewustzijn van de immanente geest.

> Als het lichaam van de God-mens zowel de hoogste frequenties als alle getransformeerde octaven kan verdragen, is dat een bewijs dat er een materie met zo’n weerstandsvermogen moet bestaan die in staat is de goddelijke scheppende kracht en eveneens alle overige frequenties van de getransformeerde octaven te verdragen en te geleiden zonder gedematerialiseerd te worden. Dus hebben de Zonen Gods in hun vaderland een materie ontdekt, een soort messing, waaruit die apparaten werden gemaakt om de allerhoogste, scheppende frequenties in hun oorspronkelijke of getransformeerde manifestaties op te slaan en, versterkt of neerwaarts getransformeerd, uit te stralen. Deze constructies zijn zo gemaakt, dat ze de scheppende kracht onveranderd zuiver kunnen bewaren. Ze werken bijgevolg gedurende zeer lange tijd als een bron van goddelijke kracht – als het leven zelf. Aangezien het allerhoogste van deze instrumenten, dat deze goddelijke scheppende kracht draagt en uitstraalt, een volmaakte verbinding – zo volmaakt als een huwelijksband – tussen de goddelijke en de materiële frequenties, tussen God en de aarde, vormt, noemen we deze onvoorstelbare machtige drager van kracht, die met de goddelijke frequentie van het Zelf geladen is: de Arke des Verbonds.

> De God-mens, die zijn verhevenste vermogens ontplooid heeft, kan er rustig mee omgaan, omdat de Arke des Verbonds dezelfde kracht bevat en uitstraalt als hij zelf, de kracht, die hijzelf is. Een mens op lager niveau zou echter als hij de Arke des Verbonds alleen maar aanraakte, op hetzelfde moment als door een bliksemstraal getroffen dood neervallen.

> Op grond hiervan mogen er ook geen oningewijde mensen in de buurt van onze apparaten komen. Maar dat is nog niet alles. Daar ze allesvernietigende energieën uitstralen, moeten wij ze achter dichte rotswanden van het sterkste isolatiemateriaal verborgen houden.

> De Arke des Verbonds straalt ongetransformeerde kracht uit, en al naar gelang de dosering werkt ze levengevend of vernietigend. De vibratie van deze kracht is van dezelfde aard als die van de wilskracht van de mens, die alles, tot zelfs de aantrekkingskracht van de aarde, zij het ook maar voor korte tijd kan overwinnen. De Arke des Verbonds straalt deze kracht duizendvoudig versterkt uit.

> De ingewijde kan met de staf ook de meest uiteenlopende frequenties scheppen en geleiden, want de staf is een Arke des Verbonds op kleine schaal, behalve dat de creatieve energie er niet in opgeslagen kan worden zoals in de Arke des Verbonds zelf. Een mensenzoon zou met behulp van de staf ook zijn lagere krachten in scheppende kracht kunnen omzetten, als hij zijn vele octaven lagere kracht zuiver, positief, dat wil dus zeggen volkomen onbaatzuchtig zou kunnen uitstralen. Want de staf straalt steeds die kracht uit die de mens erin stuurt.

> De mensheid zal later alleen nog maar door overleveringen iets vernemen over de “toverstaf” en de “Arke des Verbonds” . Men zal dit alles echter als sprookjes beschouwen en doorgeven. Maar toch zal men zich herinneren, dat er eens een “Arke des Verbonds” was waarbinnen de kracht van de levende God woonde, en ook nog een “toverstaf”, of zoals wij die noemen, de “levensstaf”, waarmee de ingewijden de “tovenaars” of “magiërs” wonderen volbrachten. En uit de overlevering zal men gehoord hebben of vermoeden, dat de “staf” de macht over alle natuurkrachten betekende. Wanneer de mensen later de grootste macht in een symbool willen uitdrukken, zullen ze een staf – een scepter – als teken van macht in de hand houden. Die staf – die scepter – zal echter slechts als symbool, als nietszeggend teken van macht gelden. De werkelijke kracht en macht van de staf zal niet langer bekend zijn.

> Eens komt de tijd dat de mensenzonen alles, zelfs de verhevenste kennis, ontdekken en bezitten. Voor de onwetende massa blijft het weten zelfs dan nog een onbegrijpelijk geheim en in oningewijde handen brengen de wederom ontdekte waarheden een vloek. Maar dit is nu eenmaal de weg der mensen, door veel leed en pijn en smart die ze zichzelf aandoen. Langzaamaan zullen ze leren, dat ze met goddelijke krachten niet kunnen spelen, maar dat ze die zeer ernstig en waardig en met diepe eerbied moeten gebruiken. Want God geeft de mensheid alles, zelfs Zichzelf, tot zegen; maar in hun onwetendheid maken de mensen uit alles een vloek.

De vorm der piramiden

> Ik heb reeds uiteengezet, dat achter alle fenomenen van de zichtbare wereld de oorspronkelijke kracht schuil gaat, een streven terug te keren naar de eenheid dat zich als aantrekkingskracht tussen twee elkaar complementerende, positieve en negatieve helften manifesteert.

> De kracht, die de aarde en alles wat er in haar atmosfeer aan materie is, bijeenhoudt, is niet van de aarde zelf, maar werkt alleen maar vanuit haar middelpunt op de aarde.

> De aarde is kenbaar; alles wat kenbaar is, is alleen maar kenbaar, omdat het zich van het Niets-Alles afgescheiden heeft, maar die scheiding is slechts schijnbaar, omdat het complement in het ongeopenbaarde is achtergelaten. Dan moet ook de aarde haar complement in het ongeopenbaarde hebben, en de kracht die de aarde met al haar schepselen naar het middelpunt trekt, is het streven naar hereniging tussen de aarde en haar ongeopenbaarde complement dat in het Niets als negatief spiegelbeeld is achtergebleven. De aantrekkingskracht van de aarde trekt dus de gehele aarde naar het tijd en ruimte transcenderende Niets om de hereniging te volbrengen. En als de aarde zou meegeven, zou ze met allen en alles in het middelpunt, in het Niets, verdwijnen.

> De weerstand der materie maakt dat de aarde en de gehele schepping niet verdwijnen en vernietigd worden. Alles wat op deze kenbare aarde verschenen is, is weggevallen uit een punt van het heelal dat dan zijn eigen middelpunt is geworden. Door de val werd het tot materie. Nu kan het niet meer terug, omdat zijn eigen weerstand als materie het niet meer laat terugkeren tot de goddelijke eenheid.

> Een terugkeer tot de verlaten, goddelijke, paradijselijke eenheid – in God – is pas mogelijk als de materie vergeestelijkt wordt, dat wil zeggen, als de materie zich weer tot geest omzet!

> De materie zou echter zonder geestelijke hulp nooit uit eigen beweging en eigen vermogen geest kunnen worden. En daarom daalt een aspect Gods in de materie neer, hult zich in de materie, neemt de eigenschappen van de materie aan, ‘belevendigt’ als het Zelf de materie, opdat vergeestelijking, verlossing, mogelijk wordt.

> Het hoogste schepsel op aarde is de mens. Het is zijn opdracht de vergeestelijking van de aarde, waaraan alle schepselen naar gelang de eigen ontwikkeling meewerken, te voltooien. En ieder mens die zich uit een met het lichaam geïdentificeerd wezen transformeert tot een weer geestelijk ontwaakt goddelijk wezen, en zijn bewustzijn identificeert met het Goddelijke Zelf, heeft aan zijn opdracht voldaan! Hij heeft een stukje van de aarde vergeestelijkt.

> Het is voldoende als je begrijpt dat de krachtresultanten van de piramidevorm de gunstigste zijn om de gebouwen duizenden jaren lang intact te houden, zonder dat de natuurkrachten ze kunnen vernielen.

> Over de onoverbrugbaar schijnende kloof tussen het persoonlijk-sterfelijke en het onpersoonlijk-eeuwige slaat het verstand – het grootste, maar ook het gevaarlijkste geschenk Gods – een brug. Door het verstand geraakte hij in de verzoeking met zijn bewustzijn uit de eenheid te vallen, maar het verstand schenkt hem eveneens de mogelijkheid met volledig zelfbewustzijn in de eenheid terug te keren. Door het verstand is hij in staat de waarheden te begrijpen, en als hij begrepen heeft, zal hij lang zoeken en steeds weer proberen – totdat het hem op een goede dag gelukt – de enige weg naar de realisatie van het Zelf te vinden.

> Realisatie betekent: iets zijn. Want zolang men over iets denkt of spreekt, is men het niet.

> De schepper in de mens is het eigen Zelf, en diens laatste en verst van zijn eigen middelpunt verwijderde manifestatie is het kleine “ik”, het persoonlijke “ik-bewustzijn” .

> Als de mens dus uit het ver-weg-zijn tot de identiteit met God terug wil keren, moet hij met zijn bewustzijn dezelfde weg inslaan: hij moet, van zijn persoonlijk “ik” uitgaande, zijn bewustzijn steeds dieper en dieper in zichzelf terugtrekken en zich naar zijn ware Zelf, zijn Schepper, wenden, tot hij zich bewust in Hem constateert.

> de Schepper herkent zichzelf in het schepsel, in de persoon. Dit is de enige mogelijkheid dat het gescheiden-zijn ophoudt, dat het bewustzijn zich in een eenheidstoestand bevindt, dat het “zich-zelf- denken” ophoudt en tot “zich-zelf-zijn”, tot “zelfkennis” wordt.

> In deze toestand ziet hij in, dat zijn eigen Zelf hem geschapen heeft en aldoor schept; dat dus zijn Zelf zijn eigen schepper is, maar evengoed is datzelfde enige Zelf de Schepper van het ganse Al!

> Er is een splitsing van de eenheid nodig, opdat het getal twee ontstaat. Het getal twee kan alleen maar geboren worden, als twee eenheden naast elkaar gezet worden. Aangezien er echter buiten de eenheid niets bestaat, moet de eenheid uit zich een spiegelbeeld zenden, wegslingeren, en zo ontstaat er een splitsing,

> Er is maar één enkel levend wezen dat beide wetten bewust in zich kan laten werken: de mens. Hij vormt de verbinding tussen de geestelijke en de stoffelijke wereld. Hij is in staat de wetten van beide werelden tegelijkertijd in acht te nemen. Zijn gedachten, zijn woorden, zijn daden, kunnen onbaatzuchtigheid en universele liefde uitstralen, een en al geven zijn. Zijn lichaam behoort echter aan de wereld der materie en gehoorzaamt de wetten der materie. Elke wet, op haar eigen plaats en haar eigen juiste tijd, is goddelijk en het omgekeerde is satanisch.

> Zonder de weerstand van de materie zou de schepping niet kunnen bestaan. In de geopenbaarde godheid liggen alles- scheppende krachten nog in de eenheid, in een toestand van volmaakt evenwicht en rust, alleen maar als potentie, alleen maar als mogelijkheden. De schepping begint ermee, dat zich uit de eenheid een kracht losmaakt en zich als weerstand tegenover de Schepper opricht. Dat is de “eerstgeboren Zoon” Gods, de geest van weerstand, door de Vader uitgezonden, om eonenlang tegenover Hem de andere – negatieve – pool te vormen om de frequenties van de schepping te verdragen en er ook weerstand aan te bieden, opdat de schepping mogelijk wordt. Deze geest van weerstand, die de tegenpool van het zich openbarende aspect Gods vormt, is de oorzaak dat dankzij zijn samentrekkende, verhardende en afkoelende werking, een condensatie-materie ontstaat. Deze geest werkt als de aan de materie inherente wet van afkoeling, samentrekking, verstarring.

> Neem eens een steen in je hand: de kracht die dit ding tot een steen maakt en als materie bijeenhoudt, is de alles afkoelende, samentrekkende, verhardende wet van de weerstand.

> Zolang deze wet zich in de materie als materie openbaart, werkt de wet op zijn plaats en dus goddelijk. Uit de dode materie wordt echter bezielde materie, als de goddelijke geest – het Zelf – zich met materie bekleedt en vlees wordt. Het Zelf, het Leven, doordringt de dode materie en uit de wet der materie ontstaat een levende geest: het spiegelbeeld van het goddelijke Zelf.

> Dit spiegelbeeld, dat alleen maar levende geest kon worden, doordat God als het Zelf der schepselen zijn eigen leven in de materie deed instromen, is Satan. Satan is dus de door de goddelijke geest levend geworden wet der materie. Satan ligt dood in de materie, als haar wet, totdat de goddelijke geest hem met zijn eigen leven levend maakt.

> Als het bewustzijn zich met de wet der materie identificeert en als het denken, het woord en de daad niet de goddelijke wet, maar de wet der materie dienen, dan ervaart de mens Satan, daardoor wordt de mens zelf satanisch. Zonder de mens kan Satan niet bestaan, want zonder het Zelf van de mens is Satan slechts een onbewuste kracht, een onmisbare natuurwet der materie. Satan kan alleen maar levend worden in het bewustzijn van die mens die de wet der materie, de wet van het vlees, in de geest openbaart, die zijn bewustzijn identificeert met zijn persoon, met zijn lage aard, met de aan zijn lichaam inherente aandriften, met de drang zijn aard en zijn zelfgeldingsdrang uit te leven, en die de samentrekkende, verhardende kracht der materie als geestelijke eigenschappen, zoals hebzucht, nijd, ijdelheid, hardhartigheid, zelfzucht openbaart.

> Het bewustzijn van de mens die zich met de wet der materie identificeerde en aldus zelf satanisch werd, sterft echter met Satan en wordt na de dood onbewust. Satan trekt hem, zijn slaaf, in de dode materie, in de duisternis, in het bewusteloze, naar zich toe.

> Het bewustzijn van de mens die zich met de wet van de goddelijke geest identificeerde en die diende, blijft daarentegen wakker bij het afleggen van zijn lichaam en – bevrijd van de slavenketen, van de isolatie der materie – gaat hij op in het eeuwige Licht, in God.

note: deze twee laatste alineas komen overeen met de uitleg van Laurency waar eenmaal in het causale bewustzijn, je bewust blijft van vorige levens in tegenstelling tor voordien waar je elke overgang slapend beleeft.

> De hele schepping – de wereld van onrust, van beweging – berust op dit goddelijke evenwicht.

De vier aangezichten Gods

> De vier aangezichten Gods zijn in al wat geschapen is. De gehele schepping – ook jij – is op ZIJN vier aangezichten opgebouwd.

> De vier driehoeken die de opstaande zijden van de tetraëder vormen zijn de raakvlakken van het goddelijke met het stoffelijke, omdat ze identiek zijn met de binnenvlakken van de afgesneden hoeken van de kubus.

> De vier opstaande zijden van de piramide symboliseren de vier aangezichten Gods die ook elk apart drie aspecten van hun oerbron, de in-zich-rustende, alle openbaring te bovengaande Godheid, in zich bevatten.

> Vanuit ieder punt van het universum openbaart God zich viervoudig. Naar elk van de vier hemelstreken straalt Hij met een andere werking. En aangezien deze uit één punt stammende en toch verschillende krachtstromen uit de paradijselijke eenheid tevoorschijn komen, kunnen wij er het beeld voor gebruiken, dat uit het middelpunt van het paradijs waar de Boom des Levens en de Boom der Kennis van Goed en van Kwaad geworteld zijn, vier grote stromen ontspringen, die in de vier windrichtingen naar de buitenwereld vloeien.

> Deze viervoudige openbaring zul je in alles wat geschapen is vinden. Het meest opmerkelijke zijn echter de vier eigenschappen in de werking der luchtstromen – de winden. Zelfs de primitiefste mens weet, dat de verschillende winden uit de vier windrichtingen een totaal verschillende werking hebben.

  • De noordenwind is koud, droog, hij werkt kalmerend, verstijvend. In vele oorden wordt het water zelfs zo hard als steen.

  • De zuidenwind brengt steeds hitte met zich mee en werkt opwindend, belevendigend.

  • De oostenwind is koel, verfrissend, verkwikkend.

  • Met de westenwind komt warmte en vochtigheid – in vele streken slaat hij als regen neer. Hij brengt vermoeienis en is slaapverwekkend.

Dat weet je allemaal al, want elk kind merkt de verschillende werkingen van de vier hoofdwinden; maar heb je er wel eens over nagedacht, hoe het komt dat vanuit dezelfde plek van de aarde, vanuit hetzelfde punt, de luchtstromen in de tegengestelde richtingen precies de tegenovergestelde werkingen hebben? Wanneer bijvoorbeeld van hieruit, waar we de wind als aangenaam, lauwwarm aanvoelen, wind ontstaat en in zuidelijke richting waait, dan waait die wind voor de zuidelijk gelegen landen vanzelfsprekend uit het noorden en brengt hij daar dus afkoeling en naar verhouding koude lucht en werkt op alle schepselen kalmerend in. Als echter de wind evenzo van hieruit, dus vanuit hetzelfde punt, naar het noorden waait, komt de wind in de noordelijker gelegen landen uit het zuiden en brengt hij bijgevolg grotere warmte, hitte daarheen; hij versterkt de voortplantingskracht in de schepselen en prikkelt hun voortplantingsorganen. Hoe kan het, dat uit een en hetzelfde punt van de aarde naar de ene kant een koude, kalmerende, en naar de andere kant een warme, opwindende wind waait en naar de ene kant neerslag en naar de andere kant droogte brengt? Het hangt er alleen maar van af in welke richting de lucht stroomt. Zie je, dat is de wet van de ruimte, die wij de vier aangezichten Gods noemen. Het eerste aangezicht – het noordelijke – is vurig, het werkt levengevend, daarom brengt de zuidenwind hitte en prikkelt hij de schepselen tot verwekking van nieuw leven. Het tweede aangezicht – het westelijke – is luchtig, koel. Het maakt alles beweeglijk; daarom brengt de oostenwind verkwikking, verfrissing. Het derde aangezicht – het oostelijke – is vochtig, nat, lauwwarm. Alles wordt zwaar en traag, daarom brengt de westenwind warmte, vochtigheid, neerslag met zich mee en maakt hij alle schepselen slaperig. Hun bewustzijn trekt zich in het lichaam terug. Het vierde aangezicht ten slotte – het zuidelijke – is koud. Het werkt samentrekkend, materialiserend, kristalliserend; daarom brengt de noordenwind koude en kalmeert hij de zenuwen. De eerste en belangrijkste openbaring van de vier aangezichten Gods is het “vurige”, want de werkingen van de overige openbaringen – van de overige aangezichten – hangen van deze eerste af. Het soort vuur bepaalt of het heet, warm, koel of koud wordt. Daarom is het vurige aangezicht Gods de vader van de andere. Dank zij zijn uitstraling ontstaan de verschillende aggregaattoestanden: door het warme en droge de gasvormige luchtige; door koelte en vocht de vloeibaar waterige, door koude de harde aardse aggregaattoestand.

> Daarin ligt ook het geheim verborgen, waarom een mens, als hij de verbinding met God tracht te verkrijgen en bidt, zich het beste naar het noorden of naar het oosten kan richten, maar nooit naar het zuiden of naar het westen! In het noorden en in het oosten vindt hij krachten, die hem tot vergeestelijking voeren. In het zuiden en in het westen vindt hij prikkels, die zijn bewustzijn met de lichamelijke aandriften verbinden.

> De piramide manifesteert dus vier maal drie: het getal twaalf. En hiermee zijn we tot nog weer een verdere waarheid gekomen.

> Dat leidt tot een twaalfvoudige openbaring die op elk punt van het heelal aanwezig is en werkt in al wat bestaat.

> Als je dus een van deze kringen kent, ken je ook de inwendige bouw niet alleen van het universum, maar ook van ieder individu. Want op deze twaalfvoudige openbaring Gods is het ganse zichtbare Al opgebouwd.

> Maar voor we verder gaan, moet je je ervan bewust worden, dat alles wat wij mensen vanuit persoonlijk standpunt – dus van buiten af – met onze zintuiglijke organen waarnemen, in de goddelijke Zijnstoestand precies tegenovergesteld is.

> Als je van buiten af – boven, beneden, voor, achter, links of rechts – iets ziet, dan keert het zich wanneer je het niet ziet, maar zelf bent, in exact het tegenovergestelde ervan om. Als je iets ziet bevind je je in dualistische omstandigheden. Jij – de waarnemer – en dat wat je waarneemt – het waargenomene – zijn de twee polen. Maar als je iets bent, bevind je je in de monistische toestand, in de goddelijke eenheid.

> De aarde ontvangt de twaalfvoudige krachtuitstraling van de vier aangezichten Gods uit de wereldruimte, uit de richting van allerlei sterrenbeelden, die tezamen als een rad om ons heen staan. We noemen dit uit sterrenbeelden gevormde rad de zodiak of dierenriem. De uitstralingen van de zodiak bewerkstelligen dat de aarde bestaat. Deze vibraties troffen elkaar in een punt van de wereldruimte, zodat er een interferentie in de energiegolven gevormd werd en er een materialisatie, een verdichting, een condensatie ontstond. Uit deze condensatie van de energie- uitstralingen ontstond langzamerhand onze aarde.

> Ze krijgt de levensenergie die de zon schenkt, maar ze ontvangt tevens voortdurend de uitstralingen van de zodiak en ook van haar medeplaneten van ons zonnestelsel. En aangezien de aarde, evenals alle hemellichamen, de condensatie van al deze verschillende uitstralingen is, bevindt er zich op aarde een materialisatievorm van elk niveau van alle fenomenen, die predominerend deze speciale, overeenkomstige energie van het grote kosmische rad openbaart.

> Zolang een mens zijn bewustzijn met zijn dierlijke aandriften identificeert, is hij als een stal waarin dieren huizen. In deze stal, te midden van allerlei dieren, moet het goddelijk kind – het zich bewust zijn van het goddelijke Zelf – geboren worden.

> Elke periode heeft zijn begin, ontplooiing, culminatie en daarna weer de neergang tot het einde.

> En nu nog een zeer belangrijk feit: wat er zich ook stoffelijk openbaart vanuit zijn eigen middelpunt, de vier aangezichten Gods stralen van elk punt volkomen gelijk en onveranderlijk uit, en daarom bevindt zich alles – centrale zon, zon, planeet, plant, dier, eencellige bacil of mens – in het middelpunt van twee raderen: in het middelpunt van het grote kosmische rad, en – daar dit middelpunt identiek is met het eigen middelpunt – ook in het middelpunt van zijn ongeopenbaarde wezen, zijn innerlijke rad.

> Vanuit het grote, kosmische rad worden de stralingen van buitenaf ontvangen, uit het eigen rad worden ze van binnenuit gegeven.

> Ieder fenomeen, waar het zich ook in het heelal bevindt, draagt zowel het grote kosmische als het kleine eigen rad in zich, of het nu een eencellig oerdiertje, een plant, een dier, een mens of een hemellichaam is. Dat zul je vanzelfsprekend vinden als je begrepen hebt, dat ieder punt van het heelal dezelfde twaalfvoudige openbaring van de vier aangezichten Gods – zonder dat deze zich kunnen wenden of keren – uitstraalt.

> Elke verschijningsvorm – dus ook de mens – bezit echter in zijn rad een individuele krachtenstructuur, samengesteld uit dezelfde scheppende krachten die in de kosmische ruimte uit de sterren stralen. Op het moment van de geboorte zijn deze twee structuren eender. Want weet, dat iemand pas op dat moment geboren kan worden, wanneer de krachtstructuur van het sterrenuitspansel in het grote kosmische rad en de krachtstructuur in het eigen individuele rad volkomen met elkaar overeenstemmen.

> Tot het eind van zijn leven werken nieuwe indrukken, belevenissen en de meest uiteenlopende invloeden op de mens in. Door de ervaringen, die hij tijdens zijn leven vergaart, verandert zijn innerlijke constellatie in hoge mate. Vele krachten worden ontplooid, vele verdringt hij in zijn onbewuste in overeenstemming met de reacties op zijn daden en zijn belevenissen. De innerlijke constellatie, die een mens heeft op het moment van overlijden, drukt zich in op de ziel en zij kan niet reïncarneren, voor en aleer het sterrenuitspansel in zijn constante beweging dezelfde constellatie vertoont. En zo komt het, dat vele mensen reeds na korte tijd reïncarneren en anderen daarentegen eventueel duizenden jaren moeten wachten tot het hemelgewelf dezelfde constellatie vertoont als hun ziel.

> Alle mensen, die op elk moment van de eeuwigheid in de driedimensionale wereld geboren worden, zijn in het leven daarvoor met diezelfde constellatie gestorven. De constellatie bij het overlijden in het vorige leven en de constellatie bij de geboorte in het daaropvolgende leven zijn dus beslist identiek.

> En aangezien het lot het spiegelbeeld is van het karakter en het gevolg van de handelingen, doen zich in het leven soms gunstige, soms ongunstige, nadelige wendingen voor.

> Alle verschijningsvormen zijn aan deze krachten onderworpen, maar alleen één schepsel heeft zowel de mogelijkheid als het vermogen over al deze – in de kosmos, in zijn eigen wezen en in zijn lot werkende – energieën en krachten te beheersen en deze naar eigen believen te besturen: de mens. Maar ook alleen dan wanneer hij zich van deze krachten bewust wordt, ze in zich herkent en aan zich onderwerpt.

> Zolang de mens deze krachten in zichzelf niet heeft leren kennen, is hij er net zo aan overgeleverd als de andere onbewuste schepselen die, rechtstreeks ingeschakeld in deze scheppingskrachten, er blindelings door bestuurd worden.

> Als je inziet, dat alleen je lichaam en al het stoffelijke in je wezen uit deze krachten is opgebouwd, maar dat je goddelijke zelf boven deze krachten staat en het vermogen bezit ze te beheersen, dan kun je de heerschappij over deze geweldige scheppende krachten – die je verloor op het moment dat je in de materie geboren werd – weer in handen krijgen.

De kosmische tijdperken

> De aarde ontvangt de uitstralingen van de kosmos, zij baadt en zwemt aldoor in deze golven van energie. Al het gebeuren op aarde is rechtstreekse reactie op en resonans van deze trillingen.

> De tijdsspanne waarin de aardas deze kegelvormige baan éénmaal voltooit, en dus ook het lentepunt in de zodiakbaan rondgaat, omvat 25920 aardjaren. We noemen het een kosmisch jaar. Dit getal door twaalf gedeeld, levert een kosmische maand – 2160 aardjaren – en dat is de tijd waarin het lentepunt door een sterrenbeeld trekt.

> De belichaamde geesten op aarde – de mensheid – moeten steeds het nieuwe tijdperk realiseren en leven naar de ideeën van dat tijdperk.

> De vaste sterren – de zonnen – zijn de grote transformatoren die voor alle hemellichamen de scheppende stralen transformeren en in een getransformeerde en voor de aarde te verdragen spanning doorzenden.

> Een beeld uit de tijd dat de energieën van Waterman reeds op volle toeren werken, toont me dat de grote leraar van dit tijdsgewricht alle grenzen tussen de drie heersende religies opheft. Persoonlijk bewijst hij, dat de kern van alle religies een en dezelfde waarheid – een en dezelfde God – is. De grenzen tussen religie en wetenschap worden ook opgeheven, want de mensen ontdekken dat alles, ja zelfs de materie, golfbeweging is; dat er tussen de manifestaties van de geest en die van de materie slechts frequentieverschillen bestaan, maar dat in wezen alles slechts openbaring van de ene, enige, oerbron van alle krachten – God – is. Alles is golf, zoals de symbolische voorstelling van het sterrenbeeld Waterman aantoont: een bovenaards wezen giet uit zijn kruik golven uit.

> Volgens de tijdrekening der aarde duurt dat nog eonen. Nog ontelbare malen zal de aarde, naar aardjaren en ook naar kosmische jaren gerekend, de baan van de zodiak doorlopen.

> De geschiedenis van de mensheid op aarde is niet aan het toeval onderworpen. Je moet leren inzien, dat elke stap van de ontwikkeling volgens de goddelijke voorzienigheid, volgens een goddelijk leerplan verloopt. Een mens kan deze eindeloos lange weg in één enkel mensenleven doorlopen, als hij zijn wil geheel en al op dit doel concentreert.

De laatste voorbereidingen

> Met de zelfbeheersing ben ik nu zover, dat ik, hoe sterk iets ook op me inwerkt, de teugels goed in de hand houd. Ik neem volkomen bewust waar hoe de indrukken van buitenaf op mijn zenuwcentra werken en als ik het niet wil, laat ik eenvoudig niet toe dat mijn zenuwen in opwinding geraken. Op het moment, dat de natuurlijke reactie wil komen, sta ik met mijn bewustzijn tussen deze afloop en de zenuwcentra en leg mijn hele zenuwstelsel bewust en keihard op rustig te blijven.

> Van nu af hangt het van je wil af of je een kracht tot expressie brengt of niet.

> Je bent niet alleen geestelijk, maar ook psychisch en lichamelijk geen slaaf meer van de natuur. Maar ik maak je er opmerkzaam op, dat de mogelijkheid weer slaaf te worden niet uitgesloten is. Als je het bewust wilt, kan niets of niemand je beletten je geestelijke vrijheid te behouden, of je weer door de uit je eigen Zelf stammende krachten tot slavernij te laten brengen. Het is Gods wil en dus wet, dat iedere geest volledige vrijheid van wil bezit. Deze vrijheid mag niemand schenden. Je mag dus nooit de voortdurende zelfbeheersing laten varen.

> De waarheid is als een onzichtbaar mens. Deze kan zich alleen zichtbaar maken door kleren aan te trekken.

> Met hoe minder woorden wij een waarheid uitdrukken – dat wil zeggen: bedekken, omhullen, om haar zichtbaar te maken – des te beter kunnen we haar inzien. Maar door de waarheid in woorden uit te drukken – met woorden te omkleden – verhinderen we meteen dat we de waarheid zelf rechtstreeks, in haar naaktheid, in haar ware wezen, te zien krijgen. Voor mensen, die niet in hun ziel kunnen kijken, zijn woorden de enige mogelijkheid elkaar te begrijpen. Maar ze zien dan ook nooit wat ze denken, wat ze elkaar willen bijbrengen, alleen maar de woorden daarover.

> Je karakter in dit leven en je lot zijn door dezelfde krachten opgebouwd; beide zijn ze het resultaat van de oorzaken en werkingen, van de acties en reacties, van de handelingen en ervaringen in je ontelbare levens waarin het Zelf zich sedert eonen van tijd geopenbaard heeft en die zich tenslotte uitgekristalliseerd hebben in je persoonlijkheid van dit leven.

> Het Zelf straalt zijn scheppende krachten door de zeef van het karakter in het belichaamde wezen binnen, en uit deze energieën worden door de beeldvormende krachten diep in de ziel droombeelden geschapen die zich naar buiten in de wereld der materie projecteren en zich daar als “persoon” en als “lotsbestemming” manifesteren.

> Of er uit de toekomstprojecties van het Zelf die ze nog niet gerealiseerd hebben maar die diep in de ziel – in het onderbewustzijn – op verwerkelijking wachten om op het vlak van de materie “werkelijkheden” te worden, of dat ze slechts “droomvoorstellingen” blijven, hangt ervan af met welk gebied de mens zijn bewustzijn identificeert.

> De “droom” is ook een “werkelijkheid”, maar alleen in de on-stoffelijke beelden vormende wereld van energieën; en wat hier op aarde gebeurt, wat men hier “werkelijkheid” noemt, is ook slechts een “droom“, een projectie van het zelf, maar dit is dan een lagere, in het stoffelijke gebied werkende, in de sfeer van de aarde naar binnen gedroomde projectie.

> Het lot is dus een belichaamde toekomstprojectie, een gematerialiseerde droom. Zolang de mens de wil van zijn Zelf – de wil Gods – laat overheersen, gebeurt in het gebied van de materie, in de zogeheten “werkelijkheid”, dat wat hijzelf bewust wil. En daarom beheerst hij dus ook zijn lot.

> Op het ogenblik echter, dat de mens zich met wezensvreemde, niet uit zijn Zelf, maar uit zijn lagere aard, uit zijn lichaam stammende krachten identificeert en deze als zijn eigen wil erkent, gebeurt niet meer wat hij Zelf, maar wat zijn lichaam wil – al gelooft hij nog zo zeker, dat het zijn “eigen” wil is. Dan verliest hij het stuur over zijn eigen lot en is hij volledig overgeleverd aan de blinde krachten van het noodlot. In dat geval ontstaan er uit zijn projecties, uit zijn “droombeelden”, die zich latent in zijn onbewuste bevinden, onvermijdelijk en beslist dingen die “werkelijk” gebeuren op het aardse vlak.

> iedere ingewijde heeft de opdracht verder op aarde te blijven en mee te werken om de andere “projecties” – personen – uit de boeien van de materie, uit de boeien van het lichaam en dus ook uit de klauwen van het blinde noodlot, tot de geestelijk-goddelijke toestand van eenheid terug te brengen, opdat alles wat in afsplitsing en bijgevolg in de materie gevallen en belichaamd is, weer naar de verloren tuin van Eden, in de goddelijke Eenheid, terugkeert.

> Met eenvoudig vasten, zonder de versterkende kruiden, kan men ook een hoog niveau van concentratievermogen bereiken, maar het kan de zenuwen schaden, omdat ze door het vasten weliswaar hypergevoelig maar meteen ook zeer verzwakt raken. Met behulp van deze kruiden worden alle nadelen van het vasten opgeheven.

> Tijdens de inwijding wordt in het lichaam van de inwijdeling een hogere frequentie ingebracht dan met zijn bewustzijnsniveau overeenstemt, en daardoor wordt hij ook bewust op dit hogere niveau.

> Want elke hogere vibratie wekt, zolang men haar verdraagt, een vervoering brengend gevoel van geluk. De trilling wordt echter tot een kwelling, als de zenuwen de overmatige spanning niet langer verduren.

> Bij de inwijding bereikt de kandidaat dus met behulp van de krachtstroom het zevende, goddelijke niveau, dat hij op eigen kracht nooit had kunnen bereiken.

> Er bestaat daarentegen het gevaar, dat een op deze wijze ingewijd mens in de periode na de inwijding, voordat hij door eigen inspanning een godmens is geworden, geen weerstand kan bieden aan aardse verlokkingen en dan nog dieper valt dan bij zijn allereerste val. Zonder de inwijding bestaat dit gevaar niet. Als hij de kringloop van zijn leven zonder inwijding, langs de lange weg van de stervelingen tot het einde, tot het grootse doel, tot de thuiskomst in de tuin van Eden volbrengt, blijft er in hem niets, dat hij niet ervaren heeft, dat hem onbekend is. Hij bereikt het goddelijk niveau, nadat hij op alle niveaus ervaringen vergaard heeft en dienovereenkomstig de waan van zijn “ik” langzamerhand heeft doorgrond. Het vergt echter een gehele scheppingsperiode, voordat een mens zo ver gekomen is.

> Tegenwoordig zijn er nog veel mensen op aarde die aan de voorwaarden voor de grote inwijding beantwoorden. Het is onze plicht aan alle kandidaten, die – ondanks onze waarschuwingen – hun wens de inwijding te ontvangen driemaal herhalen, deze dan ook te geven.

> Bij de doorsneemens werken de transformatoren in de zenuwcentra gescheiden van het bewustzijn. Daarom kan hij ze ook niet beheersen. De natuurwetten beheersen hem, zonder dat hij weet wat er omgaat in zijn lichaam en in zijn ziel – in zijn onbewuste.

> Bewustzijn is licht, het onbewuste is duisternis. Als het op aarde licht is, noemen we het dag. Elke bewustzijnstoestand is dus een “dag” Gods, want in elk bewustzijn, van het laagste niveau van de materie tot het hoogste Zelf-Bewustzijn van de God-mens, herkent God zichzelf op de verschillende niveaus. Op alle “dagen” – op alle bewustzijnsniveaus – is er activiteit, onrust, beweging; alleen op de zevende “dag” is er geen beweging, geen activiteit, geen scheppen! Op de zevende “dag” houdt het scheppen op, omdat er dan volkomen eenheid en evenwicht heerst. Dan rust God in zichzelf!

> De God-mens openbaart en beheerst bewust alle zeven niveaus van de schepping. Maar zijn bewustzijn identificeert zich slechts met het zevende, met het goddelijke niveau, niet met de lagere treden.

> Hij kent ze, heerst erover, maakt er gebruik van – maar hij eet niet van deze vruchten van de Boom der Kennis van Goed en van Kwaad. Hij blijft bewust in God, in de paradijselijke toestand.

> De ingewijden zijn dus niet allen van hetzelfde niveau, want de meesten verkrijgen de zevende trede pas door verdere ontwikkeling.

> Alleen God, alleen de een-met-God-geworden God-mensen, zijn in hun uitstralingen alleen maar gevend. De materie echter, als negatief spiegelbeeld Gods, is slechts nemend. De schepselen op de overige niveaus werken gedeeltelijk nemend, van boven, en gedeeltelijk gevend, naar beneden.

> Je hebt reeds geleerd dat geven de uitstraling, de wet Gods, de wet van de Geest is, en dat nemen het samentrekken, de wet van de materie is.

> het onderscheid tussen droom en werkelijkheid is alleen maar dit: dat de werkelijkheid tot een droom wordt als je in een hogere bewustzijnstoestand ontwaakt en beseft, dat het geen werkelijkheid was maar een projectie van het Zelf, een droom dus.

> Werkelijkheid is elke droom, als je gelooft dat die werkelijkheid is. De ene en enige werkelijkheid – de enige, objectieve realiteit – is het Zelf: God.

> Als je alle proeven doorstaat, beleef je alle levens die je als gevallene op aarde moest doormaken, tijd- en ruimteloos, als dromen en zul je steeds weer op het volgende niveau ontwaken. Tenslotte ontwaak je op de zevende trede van het bewustzijn: in het Al-Bewustzijn van het Zelf. In deze goddelijke toestand zul je één worden met de laatste en enige werkelijkheid, met je Zelf, met God. Dat is dan geen ontwaken meer, maar opstanding. Dan ben je bevrijd van je “persoon” – die ook maar een projectie is – en van je persoonlijk lot vrijgekomen. Dan ben je verlost.

> Zo zijn bijvoorbeeld de zwarte magiërs die het tehuis van de Zonen Gods verwoest hebben naar de benedenste sfeer van de schepping neergestort. Ze liggen nu op aarde als bergen, rotsen, stenen, en moeten zich weer langs de eonenlange weg van het bewustzijn van de dode materie via het plant-zijn, het dier-zijn, tot het mens-zijn omhoogworstelen.

> Nu zul je echter begrijpen waarom dieren ook moeten lijden. Zij zijn – net als alles op aarde – openbaringen van begrensd bewustzijn van eens hoogstaande, maar gevallen geesten.

De inwijding

> Ik voel hoe het satanische wezen – is het Satan zelf? – mij in zijn macht dwingt.

> Ik voel zijn muil in mijn gezicht, zijn lichaamloos lichaam in mijn lichaam; zijn helse stromen van kracht vloeien als mijn bloed door mijn aderen. Door deze onderwereldwerking wordt mijn hele wezen koud, het verstijft en trekt in een vreselijke kramp samen.

> Je bent aan mijn wet van afkoeling, samentrekking en verstarring onderworpen.

> ‘Nee! Ik ben niet jij en jij bent niet’ ‘ik”

> Jij bent met je verstarring het negatief, het spiegelbeeld – de karikatuur – van de eeuwige bron van alle leven, van de “in-zich-rustende-Godheid”.

> Jij bent het innerlijke wezen der materie, jij bent de wet die de materie handhaaft, in stand houdt; jij hebt dus macht over mijn lichaam, want jij moest het op bevel van mijn Zelf opbouwen, toen ik in deze wereld der materie geboren en een persoon werd. Maar over mij, over mijn scheppend Zelf heb je geen macht.

> Als alles weer stil wordt en ik langzaam tot mezelf kom, herinner ik me, dat ik iets verschrikkelijks gedroomd heb. Wat een geluk, dat ik uit die benauwenis wakker ben geworden.

> O, die verblinde vrouw. Hoe zou ze geluk door een lichamelijke omhelzing zonder zielenovergave kunnen verkrijgen? Het geluk beleeft men in het bewustzijn, geluk ligt in het Zelf. Hoe zou ze nu door spelen met het lichaam gelukkig kunnen zijn?

> Maar ik sta onberoerd en ongedeerd en ben die ik ben.

> Zwakke, zieke mannen blijven thuis en bijgevolg verwekken deze zwakke, zieke mannen bij hun vrouw kinderen en het grootste gedeelte van de gezonde, jonge mensen wordt in de oorlog uitgeroeid. Dat is de snelste weg tot degeneratie van het hele mensenras.

> Alles wat gebeurt is alleen maar het streven naar herstel van het verloren evenwicht

> En toch mag dit me geen pijn doen, want ik mag aan geen persoon gebonden zijn. In deze jonge man – die ik, opdat hij zou kunnen reïncarneren, onder mijn hart had gedragen – die nu mijn zoon is, heb ik niet het lichaam, niet zijn gestalte lief, maar in hem heb ik God lief.

> Ik mag me niet met vlees en bloed identificeren. Ik moet in mijn Zelf volledig bewust worden, dan ben ik één met het Zelf van mijn zoon – maar ook met het Zelf van het ganse heelal – en dan kan ik niets en niemand meer verliezen.

> Het mag voor mij geen verschil uitmaken of iemand die mij zeer na staat of een ander mens sterft, want hetzelfde Zelf Gods verwisselt, telkens als een schepsel sterft, een van zijn vele lichamen, of het nu het lichaam is van mijn eigen kind of van een onbekende.

> O God, geef mij de kracht deze beproevingen te doorstaan.

> Wij kunnen elkaar niet verliezen. Wij zullen elkaar terugvinden en weerzien, zo niet in dit leven, dan in een volgend leven.

> al kijkt de mens in zijn ziel de dood ook nog zo rustig in de ogen, het lichaam rebelleert.

> De verovering van een land is als de ontmoeting van de mannelijke kracht met het vrouwelijke – als een gewelddadig huwelijk. Een land verovert een ander land, dringt in het lichaam van het andere binnen; er vloeit bloed, een aantal inwoners sterft, net als cellen uit het overweldigde lichaam; maar desondanks ontspringt er uit deze ontmoeting nieuw leven, een nieuwe wereld, een nieuwe schepping. De ontmoeting is gruwelijk en gewelddadig, zoals het verwekken van nieuw leven altijd is, maar de natuur kijkt vooruit naar de toekomst, en om het doel te bereiken, namelijk nieuw leven voort te brengen, offert ze talloze cellen en schepselen. Uit de intieme ontmoeting van twee landen, dat van de veroveraars en dat van de veroverden, spruit nieuw leven, zowel op het geestelijke als op het stoffelijke vlak. Uit de echtverbintenis van twee rassen ontstaat een nieuwe cultuur. Maar ook de lichaamscellen van deze landen vermengen zich en er ontstaat een nageslacht dat de eigenschappen van beide rassen in zich draagt en tot expressie brengt. De natuur schept tussen rassen overgangsindividuen, om de harde grenzen tussen de rassen en landen te verzachten en te overbruggen.

> En een mens kan alleen dan zonder gevaar dit alles meemaken als hij in volmaakt vertrouwen op God de innerlijk vrede behoedt en – zwijgt.

> Maar dat mag ik niet! Liever moet zijn lichaam te gronde gaan, dan dat zijn ziel verloren ging. Uit liefde voor hem moet ik gruwelijk hard zijn.

> De eerste trede is laag. Ik moet het gewicht van mijn lichaam te boven komen om me op die tree te krijgen. Dat lukt zonder moeite.

> De tweede trede is iets hoger en wekt de weerstand van mijn lichaam op. Maar mijn lichaamskrachten heb ik reeds lang geleden leren beheersen en dus geeft ook deze trede me geen moeite.

> De derde is reeds voelbaar hoger. Dus moet ik mijn gevoelens de baas worden om naar boven te komen. Als ik baas over mijn gevoelens ben, sta ik op de derde trede.

> Voor de vierde trede, die opvallend hoog is, overvallen mij twijfels: ‘Zal ik deze wel kunnen opgaan? Heb ik daar wel kracht genoeg voor?’ Dan zie ik in dat twijfel me mijn kracht ontneemt, me verlamt. Twijfel is iets uit het denken. Ik moet dus mijn gedachten de baas worden om de twijfel te boven te komen. Dank zij de langdurige scholing in de oefeningen in de tempel weet ik wat mij te doen staat: ik vergaar al mijn geestkracht, ben een en al Godsvertrouwen en denk aan hoegenaamd niets. En zie, mét mijn gedachten verdwijnt ook de twijfel – en daar sta ik op de vierde trede.

> Merkwaardig genoeg voel ik me, terwijl ik de treden een voor een opga, beduidend groter worden. Met elke trede word ik groter, zodat ik al veel groter ben dan bij de eerste treden. Nu sta ik voor de vijfde trede, die mijn groei ten spijt zo hoog is, dat ik alleen maar door me met handen en voeten vast te klampen naar boven kom. Als ik me dan met enorme moeite omhoogtrek, ervaar ik tot mijn stomme verbazing, dat ik geen lichaam meer heb. Alles wat in en aan mij stoffelijk was, is verdwenen: ik ben de onzichtbare geest.

> Bij het bestijgen van de zesde trede wacht me een nieuwe moeilijkheid: Ik heb geen lichaam, geen handen, waarmee ik me kan vastklampen en geen voeten, waarmee ik me naar boven zou kunnen stoten. Hoe moet ik naar boven? Ik kijk om me heen naar een weg en als ik me omkeer, zie ik eensklaps de gehele wereld wijd onder mij uitgespreid liggen. Al die landen, en de steden als speelgoed, de huizen met hun ontelbare schepselen ... Een oneindige liefde tot hen maakt zich van mij meester en ik denk vol smart aan allen die de weg van kennis moeten gaan, aan die talloos velen die nog in het duister rondtasten, ingemetseld in hun eigen zelfzucht, zoals ik ook eens ... En – o wonder – op het ogenblik, dat de Al-liefde mijn hart overspoelt, hef ik me omhoog en bevind me op de zesde trede.

> Nu sta ik voor de laatste en allerhoogste trede. Ze is precies zo hoog als ik zelf. Ik verlang zo intens omhoog te komen, dat deze wens mijn gehele wezen vervult. Vergeefs! Ik weet eenvoudig niet, wat ik moet beginnen, want ik heb immers geen handen en voeten en mis de spierkracht van mijn lichaam, waarmee ik me naar boven zou kunnen worstelen. Maar ik moet en zal naar boven. Boven vind ik God en ik wil beslist zijn aangezicht aanschouwen. Ik sta daar en wacht – er gebeurt niets. Als ik zoekend om me heen kijk, merk ik verrast, dat ik niet alleen ben, want op dit ogenblik bereikt een wezen dat op mij lijkt de zesde trede en smeekt me hem op de zevende trede te helpen. Ik begrijp zijn intens verlangen en – mijn eigen verlangen naar de zevende trede vergetend – probeer ik hem te helpen zijn doel te bereiken.

> Maar op het ogenblik dat ik mijn eigen verlangen vergeet – hoe weet ik niet – ben ik boven en mijn metgezel is er niet meer. Spoorloos verdwenen. Het was een drogbeeld om mijn laatste wens, die mijzelf betrof, te vergeten. Want zolang ik mijn persoon naar boven wil krijgen, kan ik de trede die even hoog is als ikzelf nooit te boven komen.

Als priesteres

> Anderen helpen in hun heilige slaap de onrustige zielen die na de dood op hun verdere weg nog ronddolen in de sfeer van de aarde. Zonder hulp zouden ze nog honderden, misschien zelfs duizenden jaren stilstaan, omdat ze zonder zintuiglijke organen geen gelegenheid hebben ervaringen op te doen of met andere wezens in contact te komen. Ze zitten in zichzelf opgesloten en vinden de manier niet om voort te gaan.

> De opdracht van deze priesteressen is dus tweeledig: zij helpen de ronddolende zielen voorwaarts te gaan en zodoende reinigen ze tegelijkertijd de atmosfeer van de aarde.

> De mensen zijn onwetend en blind; ze zien elkaar niet en dat veroorzaakt alle vijandigheid en alle ellende op aarde.

> Het allergrootste geschenk Gods is echter het zelfbeschikkingsrecht van de mens en niemand mag dat krenken. Dat zou zwarte magie zijn!

> Hoe gemakkelijk zou het vaak niet zijn iemand uit zijn moeilijke problemen te helpen, als ik hem maar met mijn wil mocht opvullen. Maar dan zou ik de verantwoordelijkheid op me nemen en dan was de oplossing van het probleem niet zijn verdienste, maar de mijne. Daardoor zou ik hem de gelegenheid ontnemen een beproeving te doorstaan. Ieder mens moet zelf zijn problemen oplossen, want alleen op die manier kan hij ervaringen opdoen, zijn wilskracht ontwikkelen en de horizon van zijn bewustzijn verruimen.

> Ze genieten van het eenworden met de levende prooi – met het leven zelf –;

> met dood vlees kunnen ze echter alleen de honger stillen, maar niet het streven naar eenheid bevredigen.

‘Wij zullen elkaar weerzien’

> Deze vreemdeling echter blikt me alleen brutaal aan zonder de geringste bewondering. Ik laat echter niet toe, dat de ijdelheid in mij ontwaakt. Ik pas op en houd mezelf aldoor onder controle.

> De vereniging van de twee complementen zou de volledige vernietiging van de materie, een dematerialisatie van het lichaam, betekenen. Androgyn kan men alleen maar in de geest zijn.

De leeuw

> De vuurgestalte lacht: ‘Zolang je me haat, heb je me lief en heb ik macht over jou! Zo gemakkelijk kom je niet vrij ... Wij zullen elkaar weerzien’, roept de echo voort.

> Dan spreekt het monster tot mij: ‘Nu ben je dus in mijn macht! Zie je: het allerhoogste en het allerlaagste zijn steeds elkaars spiegelbeeld; de in-zichzelf-rustende volmaaktheid en de eeuwige verstarring zijn de twee zijden van een en dezelfde Godheid. Jij wou je bewust worden van de in-zichzelfrustende volmaaktheid, en nu ben je in de verstarring terecht gekomen.

> Je bevindt je nu in de eerste beproeving van de inwijding – in de bewustzijnstoestand van de materie met een menselijk bewustzijn.

> Tijd vangt aan met de val uit het geluk, uit het paradijs.

> Oh! Wat heeft deze satan het bij het juiste eind! Het allerhoogste en het allerlaagste lijken op elkaar als twee druppels water, net als de werkelijkheid en haar spiegelbeeld, de schijn. Geluk is tijdloze eeuwigheid, en het tegendeel, ongeluk, is de eindeloze tijd – de eindeloosheid.

Nevel en weer ontwaken

> De voortdurende opwinding gaf me de gelegenheid mijn zenuwstelsel in elk van deze levens tenminste één trede hoger te ontwikkelen. Zo gaf de eeuwige liefde mij de mogelijkheid door middel van het lijden mijn zenuwen weer te verfijnen en hun weerstandsvermogen te verhogen.

> Lichamelijke ontberingen en zielennood louterden mijn beperkte zinnen ononderbroken totdat mijn zenuwen weer opgewassen waren tegen de vibraties van de onzelfzuchtige liefde en toen glansde langzamerhand door al die grove hartstocht van de lichamelijke aandrift een hemelse straal van goddelijke liefde.

> Ik had hem lief, ik moest hem liefhebben om de laatste ervaringen van de liefde tussen man en vrouw te beleven. Met die liefde stuurde ik alleen maar lichamelijke krachten in het lichaam en dat betekende geen val.

> Als je valt, zul je al je inwijdingsdromen in de aardse werkelijkheid opnieuw moeten beleven, want dromen zijn ook niets anders dan werkelijkheden in de onstoffelijke beeldenbouwende energiewereld van de mens en wat jij “werkelijkheid” noemt, is ook slechts een “droom”, is alleen maar een tot in het stoffelijk gebied werkende, in de sfeer der aarde ingedroomde projectie van het Zelf. En alle beproevingen die je eens of mogelijk meerdere keren niet doorstaan hebt, moet je opnieuw beleven om opnieuw een ingewijde, een bruikbare medewerker te worden.

> Je weet, dat de grootste kracht van de menselijke ziel het vurige verlangen is. Daar, waarheen het bewustzijn van een mens door zijn vurige verlangen getrokken wordt, daar zal hij reïncarneren.

> Jij lijkt niet op hem omdat je zijn kind bent, maar je bent zijn kind geworden, omdat je op hem gelijkt!

Roo-Kha en de twaalf ‘pastilles’

> Ik ben een dienaar Gods, misschien laat God u door mijn mond deze raad geven.

> Een verdere zeer interessante ervaring door deze oogoperatie opgedaan, was het feit dat net zoals de longen de lucht niet alleen voor zichzelf, maar voor het hele lichaam inademen en dan verder doorgeven, de ogen het licht niet alleen voor zichzelf, maar voor het gehele lichaam opnemen en eraan doorgeven. Want licht is kracht!

> U hebt drie dagen in volslagen duisternis gezeten; en als een mens plotseling zonder licht blijft, verliest hij zijn kracht dusdanig, dat hij niet meer op zijn voeten kan staan.

> wegens hun totaal gebrek aan kracht, dat onvermijdelijk optreedt met het plotseling blind worden.

> Maar het lichaam is goddank ook elastisch en langzamerhand neemt de huid de hele lichtverzorging op zich.

> De jonge priester verschijnt ten tonele

Ima en Bo-Ghar

> En ik hield er rekening mee, dat wát er ook gebeurde, dat het allerbeste was, zelfs wanneer het voor mijn moederhart, in mijn menselijke kortzichtigheid, een catastrofe zou lijken. Ik moest nu mijn geloof aan de werkelijkheid Gods omzetten in een daad. Mijn hart mocht niet sidderen, mijn zenuwen moesten volledige kalmte bewaren, omdat ik ook het lot van mijn enig kind niet meer van menselijk standpunt uit, maar van het standpunt van het tijdruimteloze geheel moest bekijken en ernaar handelen. Andere moeders hebben dag en nacht voor hun zoons gebeden. Hoe zou ik dat hebben kunnen doen? God laat zich niet door mensen ompraten, en ik wist dat overeenkomstig de wet van de geaardheid en het lot van mijn zoon precies dat zou gebeuren, wat voor de ontwikkeling van zijn bewustzijn het allerbeste was. Ja! God heeft hem lief! Meer nog dan ik! Deze gedachte gaf me de kracht verder te leven.

De beproevingen herhalen zich

> Het is waar dat mijn meester Ptahhotep er mij opmerkzaam op maakte en dat hij me waarschuwde, dat als ik na de inwijding een val zou maken, alle inwijdingsbeproevingen zich op het aardse vlak zouden herhalen. Ja! Ik heb aldoor het gevoel, dat al dit gebeuren zich herhaalt.

> Want alles wat hier op aarde geschiedt, is de verwezenlijking van dat wat op het geestelijk vlak reeds klaarliggende, op haar verwezenlijking wachtende oorzaak is.


Lees dit spiekbriefje als pdf:

Lees het volledige boek hier