Alle Leven is Yoga, de integrale visie van de moeder - De Moeder

2025-06-04 18:50

Type: Spiekbriefje

Leestijd: 146 min

Aantal pagina's: 57 blz (ipv 758)


Highlights & Notes

note: De highlights t/m pag 33 komen uit de app zetamarker, de rest uit de app Omnivore.

Het supramentale is een zijnsgradatie boven de mentale gradaties waarvan ons menselijk mentale bewustzijn er één is. Het supramentale is het goddelijk eenheidsbewustzijn, de enig mogelijke grondslag van een nieuwe wereldorde waarin de talloze problemen die de mensheid plagen niet langer zullen bestaan maar worden omgezet in hun tegendeel.

1. Het Opperwezen en zijn manifestatie (of schepping)

Het Opperwezen, God, de Godheid

In feite heeft het heel weinig nut het te noemen en te beschrijven. Je moet proberen ermee in contact te komen, je erop te concentreren, die werkelijkheid te beleven. En wat voor naam je er ook aan geeft, dat is niet van belang als je eenmaal de ervaring hebt. Alleen op de ervaring komt het aan.

Slechts één iets is belangrijk: een oprechte en volhardende wil.

Er zijn de goden van het bovenmentale, die inderdaad heel erg op menselijke wezens lijken, zoals we al vaker hebben gezegd; ze zijn veel groter en machtiger [dan mensen], maar de gelijkenissen zijn wat té opvallend. Daarboven staat de onpersoonlijke God, de onpersoonlijke Godheid. Maar boven de onpersoonlijke Godheid is er de Godheid die de persoon zelve is, en je moet door het onpersoonlijke om de opperste Godheid daarboven te kunnen bereiken.

note: Ik vermoed dat het bovenmentale niveau gelijk is aan wat Laurency het causale niveau noemt

Een van de grote moeilijkheden in het merendeel van de wijsgerige stelsels is dat ze nooit de verschillende niveaus van het bestaan, de verschillende zijnsgradaties, hebben onderscheiden of bestudeerd. Ze hebben een Opperwezen en daarnaast de schepping, en dat is alles, met niets ertussenin. Zo wordt het heel erg moeilijk om de dingen te verklaren.

Integraliteit is ontzettend moeilijk voor een menselijk bewustzijn, want dit kan slechts bewust beginnen te worden door de dingen af te perken, door ze te bepalen.

De eenheid van alle dingen

De Godheid is één maar Hij lijkt opgedeeld in de dingen en de wezens.

Ondanks de schijnbare verschillen is er dezelfde ene Substantie in jullie allen.

Het draait dus allemaal rond een bewustzijnsverschijnsel. De wereld bevindt zich in een staat van duisternis, van lijden, van ... alles wat ze is, gewoon omdat ze zich niet van de Godheid bewust is, omdat ze de band met de Godheid in haar bewustzijn heeft doorgeknipt, omdat haar bewustzijn van de Godheid is gescheiden. Wat wil zeggen dat ze onbewust is geworden.

Vanaf het ogenblik dat het individuele bewustzijn zich afscheidt van het goddelijk bewustzijn vervalt het in wat we de onbewustheid noemen, en het is aan deze onbewustheid dat alle ellende te wijten is.

Het is de Godheid in de onbewustheid die streeft naar de Godheid in het bewustzijn. Dit betekent dat er zonder de Godheid geen aspiratie zou zijn.

Alles wat in je omgaat heb je van degenen die je hebben verwekt en uit het milieu waarin je hebt verkeerd; je hebt het door de talloze indrukken die zich in jou hebben opgetast en die iets hebben opgebouwd dat je jezelf noemt maar dat niet door jou veroorzaakt werd, dat alleen maar als zodanig wordt ondergaan, aangevoeld. Je wordt je [van je gedachten] bewust, maar jij bent het niet die ze geschapen hebt, jij bent het niet die ze in het leven heeft geroepen.

Je moet diep, heel diep naar binnen gaan en de eeuwige essentie van je wezen vinden om de scheppende realiteit in jezelf te ontdekken. Als je die eenmaal gevonden hebt, stel je vast dat ze een uniek iets is, dat hetzelfde is in alle andere wezens.

Een persoonlijkheid is inderdaad net een apparaat om dingen te registreren en te reproduceren, en ze veroorzaakt altijd wat men vervormingen zou kunnen noemen. Dit kunnen vervormingen ten goede of ten kwade zijn en ze kunnen vrij aanzienlijk zijn.

De meeste mensen denken dus de ene gedachte na de andere; hun bewustzijn functioneert rechtlijnig. Je begint de dingen echter pas echt te zien wanneer je sferisch, globaal kunt zien, wanneer je sferisch kunt denken, met een groot aantal gedachten en waarnemingen tegelijkertijd.

note: Ik vermoed dat sferisch denken hetzelfde is als wat Laurency perspectief denken noemt

Men zou kunnen zeggen dat de geest tegelijkertijd de bewuste schakel is tussen het Opperwezen en de manifestatie én de ontmoetingsplaats van de manifestatie met het Opperwezen. De geest is in staat de allerhoogste goddelijkheid te begrijpen en ermee te communiceren, en hij is tegelijkertijd de zuiverste schakel, de minst vervormde, bij wijze van spreken, tussen de allerhoogste goddelijkheid en de meest oppervlakkige manifestatie. Het is de geest, met behulp van de ziel, die het bewustzijn naar Boven keert, naar de Godheid toe, en het is in de geest dat het bewustzijn de Godheid kan beginnen te begrijpen.

Je zou kunnen zeggen dat wat men ‘geest’ noemt de atmosfeer is die door de genade in de materiële wereld is gebracht, opdat deze wereld het bewustzijn van haar eigen oorsprong zou kunnen openbaren en zou worden gedreven om ernaar terug te keren.

Het is de atmosfeer die is geschapen door de goddelijke genade in het heelal om ons universum te redden uit de duisternis waarin het vervallen is.

De ziel is als het ware de individuele concentratie, de individuele vertegenwoordiging [van de geest] in het menselijk wezen. De ziel is een substantie die voorbehouden is aan de mensheid; ze bestaat alleen in de mens. Ze is als het ware een speciale uitdrukking van de geest in het menselijk wezen. De wezens van de andere bestaansgradaties hebben geen ziel, maar ze kunnen wel leven in de geest.

Note: Hier vermoed ik dat de ziel hetzelfde is als wat Laurency Het Causale omhulsel noemt wat ook enkel bij de mens voorkomt

De geest speelt voor het ogenblik de rol van hulp en gids, maar hij is nog niet de almachtige meester van de materiële manifestatie. Wanneer het supramentale in een nieuwe wereld georganiseerd zal zijn, dan zal de geest de meester worden en de natuur op een duidelijke, waarneembare manier besturen.

note: vanaf hier komen de highlights uit de app Omnivore.

De manifestatie of schepping

> Het heelal is dus geobjectiveerd door het goddelijk bewustzijn, door het Opperwezen, volgens bepaalde vaste wetten waar we het later over zullen hebben. Het heelal in zijn geheel is één, in de zin dat het de Godheid is. Het bevat niet de hele Godheid, maar het is alsof de Godheid er zichzelf in ontplooide om zich te objectiveren. Dit is de bestaansreden van de manifestatie van het heelal.

> Het doel, de beweegreden van de schepping is een objectivering. Er is echter een eerste fase van die objectivering waarin er een volledig bewustzijn is, totaal en gelijktijdig, buiten tijd en ruimte, van wat de inhoud van de schepping zal uitmaken, en het heelal is dan nog ‘vooraf bestaand’ maar nog niet gemanifesteerd. De tijd begint dan tegelijk met de objectivering.

> ‘Het opperste bewustzijn kent alles bij voorbaat omdat alles in zijn eeuwigheid bestaat. Maar door de noodzaak van zijn spel en om in het fysieke domein ten uitvoer te brengen wat in zijn opperste Zelf werd verordend, gedraagt Het zich hier op aarde alsof Het van het geheel der dingen geen weet had; Het gaat te werk alsof Het met een nieuwe en nog niet beproefde draad aan het weven was.

> In het spel van de krachten is het echter noodzakelijk dat een massa personen werkt voor de verwezenlijking van het geheel der krachten, van de totaliteit der krachten, ook al heeft een bepaalde inspanning individueel gezien niet het minste nut voor degene die haar uitvoert. Als de enkeling dus kennis had van de onbetekenende rol die hij speelt in het geheel, zou hij deze niet willen spelen.

> In plaats van een verklaring van onderen naar boven toe, zou het wijzer zijn een verklaring van boven naar onderen te zoeken en de dingen zo te zien dat het bewustzijn trapsgewijze afdaalt en al afdalende telkens meer verduisterd wordt, totdat men tenslotte niet langer het mechanisme begrijpt waardoor de dingen gebeuren. Dit is dan wat de staat van onwetendheid wordt genoemd.

Note: Is dit hetzelfde als wat Laurency bedoelt met involutie?

> Als je in een bewustzijn blijft dat op mentale wijze functioneert, ook al is dat het hoogste mentale, dan zie je de dingen volgens een absoluut determinisme van oorzaak en gevolg, en je meent dat de dingen zijn wat ze zijn omdat ze zijn wat ze zijn en omdat ze niet anders kunnen zijn. Het is pas wanneer je helemaal boven het mentale bewustzijn uitgaat en in een hogere zingeving van de dingen komt – die men spiritueel of goddelijk kan noemen – dat je je ineens in een staat van volmaakte vrijheid bevindt waarin alles mogelijk is.

Volgens de terminologie van Sri Aurobindo en de Moeder zijn de zijnsniveaus in grote trekken en in opgaande orde als volgt:

  • de materie,

  • het vitale (of de levenskrachten),

  • het mentale (waar ons menselijk bewustzijn toe behoort),

  • het bovenmentale (de werelden van de kosmische krachten of góden),

  • het supramentale (het goddelijke eenheidsbewustzijn) en

  • de allerhoogste goddelijke werelden van zijn (sat), bewustzijn (chit) en alvreugde (ananda).

Dit wordt uitvoerig toegelicht in hoofdstuk 5 over de zijnsgradaties

> Het heelal is een objectivering van de allerhoogste, alsof hij zich buiten zichzelf had geobjectiveerd om zichzelf te zien, om zichzelf te ervaren, om zichzelf te kennen, en opdat er een bewust bestaan zou zijn met de mogelijkheid om hem als zijn oorsprong te kennen en zich bewust met hem te verenigen om hem te manifesteren in de wording. Er is geen andere reden voor het heelal.

> De aarde is een soort symbolische kristallisatie van het universele leven, een reductie, een concentratie, opdat het werk van de evolutie gemakkelijker zou kunnen worden uitgevoerd en overzien. Als men de ontwikkelings-geschiedenis van de aarde nagaat, kan men begrijpen waarom het heelal geschapen is. Het is de allerhoogste die zich van zichzelf bewust wordt in een eeuwige wording, en het doel ervan is een hereniging van het geschapene met de Schepper, een bewuste, vrijwillige en vrije hereniging in de manifestatie.

> Dat is het geheim van de natuur. De natuur is de uitvoerende macht, zij is het die het werk doet. Zij neemt die schepping, die ogenschijnlijk volslagen onbewust is maar die het opperste bewustzijn en de enige werkelijkheid in zich draagt, en zij werkt daarop opdat ze zich zou kunnen ontwikkelen, zich van zichzelf bewust worden en zich volledig verwezenlijken. Zij geeft haar bedoelingen echter niet van meet af aan bloot. Ze gaat geleidelijk te werk en daarom zijn haar bedoelingen een geheim dat pas naar het einde toe zal worden ontsluierd.

> De mens is in de evolutie ver genoeg gekomen om dat geheim te ontdekken, zodat wat zich tot hiertoe in schijnbare onbewustheid heeft afgespeeld bewust zal kunnen gebeuren [in hem], uit vrije wil, en bijgevolg veel vlugger en met de vreugde van de verwezenlijking.

> In de mens kun je al zien dat de spirituele werkelijkheid zich aan het ontwikkelen is en dat ze zich volledig en in vrijheid zal ontwikkelen.

> De natuur is niet onbewust, ze is schijnbaar onbewust. Alles is begonnen met een onbewustheid, maar diep in die onbewustheid was nog steeds het bewustzijn aanwezig en dat bewustzijn ontwikkelt zich gradueel.

> Elke zijnsgradatie wordt bewoond door bepaalde entiteiten, individuen en persoonlijkheden, en elke soort daarvan heeft om zich heen een wereld geschapen of deelgehad aan de vorming van bepaalde wezens op de aarde.

> De laatsten in de rij van de scheppers zijn die van de vitale wereld, maar er zijn ook wezens uit het bovenmentale, uit wat Sri Aurobindo de Overmind noemt, die scheppingen hebben voortgebracht, die vormen hebben gemaakt, die emanaties hebben geschapen, welke emanaties op hun beurt weer andere emanaties hebben geschapen, enzovoort.

> Wat ik bedoelde is dat de goddelijke wil niet rechtstreeks op de materie heeft gewerkt om de wereld de vereiste vorm te geven. Dat is gebeurd door bemiddeling van lagen, bij wijze van spreken, van zijnsgradaties, bijvoorbeeld het mentale. Er zijn heel wat wezens in het mentale die vormgevers zijn, die te maken hebben gehad met de vorming van bepaalde wezens die zich op de aarde hebben belichaamd. Die zijn er ook in het vitale.

> Het is voldoende het contact daarmee te verbreken opdat zich de grootste van alle wanordelijkheden zou voordoen.

> Er is niets dat niet God is, maar alles bevindt zich in een toestand van wanorde. Je moet proberen dat te verhelpen. God is niet alleen maar liefde; Hij is alle dingen, en indien iets ons als door en door slecht voorkomt, is dat omdat het zijn plaats niet inneemt in de passende ordening.

> De wil was dat deze wereld gebaseerd zou worden op het principe van de keuze, op de vrijheid van keuze, en dan kan men niet beletten dat zich ordeloze ontwikkelingen voordoen totdat de ware kennis daagt en de keuze verlicht wordt. Als men de vrije keuze heeft, kan men ook slechte dingen kiezen en niet noodzakelijk alleen maar goede, want als dit vooraf beslist was, zou er geen vrije keuze zijn.

Het ontstaan van de wereld

> Er zijn geen mentale of morele opvattingen die het heelal kunnen verklaren.

> Op een dag besloot ‘God’ zich te veruiterlijken, zich te objectiveren, om de vreugde zichzelf tot in de kleinste bijzonderheden te kennen.

  • Dus bracht hij uit zichzelf eerst zijn bewustzijn voort, wat wil zeggen dat Hij zijn bewustzijn manifesteerde, en Hij gaf het de opdracht een heelal te vormen.

  • Dat bewustzijn is begonnen met uit zichzelf vier wezens voort te brengen, vier individuen die werkelijk heel uitzonderlijke wezens waren, bestaande uit de allerhoogste werkelijkheid. Het waren

    • het wezen van het bewustzijn,

    • het wezen van de liefde, of liever van de ananda [alvreugde of gelukzaligheid],

    • het wezen van het leven, en

    • het wezen van het licht en de kennis (maar de kennis is het licht, dat is hetzelfde).

  • Dat zijn ze dus: bewustzijn, liefde en alvreugde, leven en waarheid – waarheid, ja, dit is de juiste term. Dat waren natuurlijk ontzettend machtige wezens, dat kunnen jullie je wel indenken. Het waren wat men in die traditie de eerste veruiterlijkten noemt, met andere woorden de eerste geformeerden.

  • Elk van hen is zich heel sterk bewust geworden van zijn belang, van zijn macht, van zijn eigenschappen en mogelijkheden, en elk is eensklaps als het ware vergeten dat hij maar een veruiterlijking, een belichaming van de allerhoogste was. Vandaar dat toen het volgende is gebeurd.

  • Toen het licht of bewustzijn zich afscheidde van het goddelijk bewustzijn, dat wil zeggen toen het begon te denken dat het het goddelijk bewustzijn was en dat er niets buiten hem bestond, is het ineens duisternis en onbewustheid geworden.

  • En toen het leven dacht dat het alle leven in zichzelf bevatte, dat er niets anders dan zijn leven bestond en dat het in geen enkel opzicht van de allerhoogste afhing, toen is zijn leven de dood geworden.

  • En toen de waarheid dacht dat ze de hele waarheid bevatte en dat er geen andere waarheid dan zijzelf was, is die waarheid de leugen geworden.

  • En toen de liefde of alvreugde overtuigd raakte dat zij de opperste ananda was en dat er niets anders dan zij en haar gelukzaligheid bestond, is zij het lijden geworden.

Dat is hoe de wereld, die zo mooi hoorde te zijn, zo lelijk is geworden.

Toen dat bewustzijn, dat men de Goddelijke Moeder kan noemen (het opperste bewustzijn namelijk) dat zag, was het heel erg teleurgesteld, dat kunnen jullie je voorstellen. Ze zei bij zichzelf: ‘Dit is werkelijk niet geslaagd. ’ Ze heeft zich toen tot de Godheid gekeerd, tot God, tot het Opperwezen, en gevraagd dat Hij haar te hulp zou komen. Ze zei tegen Hem: ‘Zie eens wat er gebeurd is. Hoe kan dit weer worden goedgemaakt?’

[Het Opperwezen] zei toen tegen haar: ‘Begin opnieuw, maar zie dat het niet meer zulke onafhankelijke wezens zijn [die je maakt]. Er moet een band met jou blijven bestaan, en door jou met mij. ’

  • En zo heeft ze de goden geschapen. Dezen waren gehoorzaam en niet hoogmoedig, en ze zijn met de schepping van de wereld begonnen.

  • Daar de anderen echter het eerst waren ontstaan, kregen de goden het telkens weer met hen aan de stok. En het is zo dat de wereld veranderd is in een slagveld, met oorlog, strijd, lijden, duisternis en de rest.

  • En om een nieuwe schepping te maken, moesten de goden die anderen bekampen die reeds vóór hen [met een schepping] begonnen waren. Dezen waren hen immers voorafgegaan;

  • ze hadden zich in de materie gestort en die hele wanorde aangericht, en de goden moesten die wanorde weer ongedaan maken.

Zo zie je waar de goden vandaan zijn gekomen: ze zijn de veruiterlijkten van de tweede orde.

> Men vertelt ook – en dit is het vervolg van het verhaal, of liever het begin ervan – dat de Godheid gewild heeft dat zijn schepping een vrije schepping zou zijn. Hij heeft gewild dat alles wat uit Hem voortkwam volstrekt onafhankelijk en vrij zou zijn om Hem in vrijheid te kunnen terugvinden, niet onder dwang. Hij wilde niet dat [de vier oerwezens] gedwongen zouden zijn trouw te zijn, bewust te zijn, te gehoorzamen. Ze moesten dat spontaan doen, in het besef en de overtuiging dat dat veel beter was. Deze wereld werd dus geschapen als een wereld van absolute vrijheid, van vrijheid van keuze. En het is daardoor dat iedereen op ieder ogenblik de vrije keuze heeft, maar dan met alle gevolgen van dien. Kies je juist, dan is het goed, maar kies je verkeerd, wel, dan gebeurt het onvermijdelijke – en dit is precies wat gebeurd is [aan het begin van de wereld].

> Wie het meeste onheil heeft aangericht, is de ‘Heer van de Leugen’ . Hij is werkelijk het grootste struikelblok in [de uitbouw van] het heelal: die voortdurende loochening van de waarheid. En hij heeft een erg stevige greep op de aardse wereld, op de materiële wereld. Trouwens, degenen die hem hier op de aarde zien, zien hem als een allerwonderbaarlijkst wezen van een stralende schoonheid. Hij noemt zichzelf de ‘Heer van de Naties’, en wanneer hij verschijnt is hij geweldig, stralend, machtig, hoogst indrukwekkend.

> Hij is onmiskenbaar, aan hun oorsprong, de hoogste organisator van de laatste twee wereldoorlogen, Het is bij deze gelegenheden dat hij zich als Heer van de Naties heeft gemanifesteerd. Hij heeft overigens verklaard dat hij zich nooit zal bekeren.

> [Dit is een aanvullende versie van het voorgaande verhaal over het ontstaan van de wereld.]

Ik ga jullie bondig een verhaal [uit de occulte traditie] vertellen. Beschouw het niet als evangelie maar veeleer als … een verhaal.

  • Toen de allerhoogste besloot zich te veruiterlijken om zichzelf te kunnen schouwen, was het eerste wat hij uit zichzelf veruiterlijkte de kennis van de wereld en de macht om deze te scheppen. Deze kennis-bewustzijn-macht begon haar werk. En in de opperste wil was er een ontwerp, en het eerste principe van dat ontwerp was de uitdrukking, tegelijkertijd, van de essentiële vreugde en van de vrijheid, die de interessantste aspecten van deze schepping leken. Er waren dus instrumenten nodig om die vreugde en vrijheid in vormen uit te drukken.

  • Er werden eerst vier wezens veruiterlijkt om te beginnen met de universele ontwikkeling die een geleidelijke objectivering moest worden van alles wat potentieel in de allerhoogste is bevat.

  • Die wezens waren in hun principe bewustzijn en licht, leven, gelukzaligheid en liefde, en waarheid. Jullie kunnen je allicht voorstellen dat ze het gevoel hadden van een grote macht, van een groot vermogen, van iets geweldigs, daar ze essentieel het principe van de dingen waren. Daarbij bezaten ze een totale vrijheid van keuze omdat deze schepping juist als een expressie van de Vrijheid bedoeld was.

  • Zodra ze aan het werk gingen (ze hadden hun eigen opvatting van de manier waarop de schepping moest worden uitgevoerd), en in hun volledige vrijheid, verkozen ze de schepping elk afzonderlijk te maken.

  • In plaats van de houding van de dienaar en het instrument aan te nemen, […] namen ze de houding van de meester aan, en deze vergissing (ik mag het wel zo noemen) is de fundamentele oorzaak, de essentiële oorzaak van alle wanorde in het heelal geweest.

  • Zodra ze zich afscheidden – want dat was de essentiële oorzaak [van de wanorde], die afscheiding –, zodra er een scheiding ontstond tussen de allerhoogste en wat hij had veruiterlijkt, is bewustzijn veranderd in onbewustheid, licht in duisternis, liefde in haat, gelukzaligheid in lijden, leven in dood en waarheid in leugen.

  • Ze zijn afzonderlijk aan hun schepping blijven voortwerken, in onafhankelijkheid en wanorde.

  • Het resultaat is de wereld zoals wij die zien. Ze is geleidelijk totstandgekomen, stap voor stap, en het zou wat lang worden om jullie alles te vertellen.

  • Het eindresultaat was de materie, duister, onbewust, ellendig. De scheppende kracht welke die vier essentiële wezens voor de schepping van de wereld had veruiterlijkt, zag wat er gebeurd was, keerde zich tot de allerhoogste en bad om een middel om het aangerichte kwaad weer goed te kunnen maken.

  • Haar werd toen opgedragen haar bewustzijn in die onbewustheid uit te storten, haar liefde in dat lijden en haar waarheid in die leugen.

  • Het was een groter bewustzijn, een vollediger liefde en een volmaaktere waarheid dan die eerst was veruiterlijkt, die zich in de baaierd van de materie stortten, bij wijze van spreken, om er opnieuw het bewustzijn, de liefde en de waarheid op te wekken en de beweging van de Verlossing op gang te brengen die het materieel universum weer terug naar zijn opperste oorsprong moet brengen.

  • Dus hebben er wat men zou kunnen noemen opeenvolgende ‘involuties’ in de materie plaatsgehad, en die involuties hebben hun geschiedenis.

  • Het resultaat van die involuties in de tegenwoordige tijd is dat het supramentale uit de onbewustheid aan het oprijzen is, maar niets zegt dat er zich na deze ontwikkeling geen andere meer zullen voordoen. De allerhoogste is immers onuitputtelijk en hij zal altijd nieuwe werelden blijven scheppen.

> Dat was mijn verhaal. (E57-58, 234-36)

De vraag naar het waarom van de dingen

> Zo zie je de grond van alle vervormingen in de wereld. Ze zijn te wijten aan de onbewustheid die uit de breuk met de Origine is voortgekomen. Het is die onbewustheid die maakt dat de oorsprong, ook al is hij inherent in alles aanwezig, zich niet kan manifesteren. Hij is aanwezig, want het is dankzij hem dat de wereld bestaat. Maar hij is vervormd in zijn expressie omdat hij zich moet manifesteren door onbewustheid, onwetendheid en duisternis heen […].

> Het procédé van de individualisering heeft tot gevolg gehad dat men zich apart moet voelen bestaan om een individu te zijn. En vanaf het ogenblik dat men apart bestaat, is men afgesneden van het oorspronkelijke bewustzijn – op zijn minst ogenschijnlijk – en vervalt men in de onbewustheid. Daar de oorsprong het enige is dat het leven van het leven is, verandert het bewustzijn helemaal vanzelf in onbewustheid wanneer men zich ervan afsnijdt. En het is die onbewustheid die dan maakt dat je je geen rekenschap meer geeft van de waarheid van je wezen.

> [De ‘lelijkheid’ van de schepping] doet zich voor in verschillende domeinen en door middel van verschillende vibraties, maar de oorzaak is overal dezelfde, namelijk de onbewustheid die is ontstaan door de noodzakelijkheid van de individuele formatie.

> Wat is dan de remedie? De oorzaak in aanmerking genomen, bestaat het enige middel om alles weer goed te maken erin, opnieuw bewust te worden. En dat is heel eenvoudig, heel eenvoudig.

> Stel dat er in het heelal twee tegengestelde, tegenstrijdige elementen zijn zoals bepaalde godsdiensten hebben gepredikt: er was het goede en het kwaad, en er zal altijd het goede en het kwaad zijn, met als gevolg een conflict, een gevecht, een strijd. Wat voorlopig het sterkst is, het goede of het kwaad, krijgt de overhand; is er wat meer van het goede, dan is dat het goede, is er wat meer kwaad, dan is het het kwaad. Maar beide zullen altijd blijven bestaan! … Als het zo was, zou er geen enkel uitzicht op een oplossing zijn en zouden we het niet eens over moeilijk of gemakkeliik moeten hebben, [een oplossing] zou onmogelijk zijn. Men zou er niet uit kunnen komen.

> Maar het is nu eenmaal een feit dat het níét zo is. Het is nu eenmaal een feit dat er maar één oorsprong is, en dat die oorsprong de perfectie van de waarheid is, aangezien hij het enige is dat werkelijk bestaat.

> Dit is wat personen zoals de Boeddha en Shankara hebben ingezien. Ze hebben op hun manier aangetoond dat, als men de toestand kan verwezenlijken waarin alles volmaakt goddelijk schijnt, of op volmaakte wijze volkomen, men noodgedwongen de universele ontwikkeling verlaat en in de ongemanifesteerdheid overgaat.

De ervaring van de Godheid

> Je vertegenwoordigt een kleine massa samengebalde substantie die jouzelf uitmaakt. Ga daarin binnen en vind er de sleutel. Je hoeft er slechts in af te dalen.

> Het willen is een aspiratie, onophoudelijk, gestaag, geconcentreerd, een bijna exclusieve bezigheid van het bewustzijn. Dat is de eerste stap. Daarna volgen er heel wat andere: een zeer attente observatie, een aanhoudende analyse, een scherp onderscheid tussen wat in zijn uitingen zuiver is en wat niet […]

> De goddelijke liefde is er altijd in al haar intensiteit, met een geweldige macht, maar de meeste mensen, negentig percent, voelen niets. Wat ze voelen is immers in proportie met wat ze zijn, met hun vermogen tot ontvankelijkheid.

> [De goddelijke liefde] is altijd aanwezig, net als het goddelijk bewustzijn, want beide zijn hetzelfde. Ze is er altijd, de hele tijd, in haar volle intensiteit, maar men merkt het niet.

De Goddelijke Moeder

> Weet je niet dat er drie principes zijn: het transcendente, het universele en het persoonlijke of individuele? Het transcendente is wat zich boven de schepping bevindt, aan de oorsprong van de schepping; het universele is de schepping; wat het individuele is, dat spreekt voor zichzelf. Er is een transcendente Godheid, een universele Godheid en een individuele Godheid.

> Het is slechts in het mentale bewustzijn dat iets je waar toeschijnt en iets anders niet waar.

> De ervaring draagt haar absoluutheid in zich, maar woorden kunnen deze niet beschrijven. Men kan alleen maar een bepaalde taal kiezen om de ervaring uit te drukken, en als men wat op zijn tellen past, kan men altijd iets zeggen dat de waarheid benadert. Ik zeg dit niet om jullie in de war te brengen, maar om jullie te verstaan te geven dat er een groot verschil is tussen de waarheid van de ervaring en de uitdrukkingswijze ervan, zelfs de allerbeste. (E50-51, 440-43)

> Daarin wordt gezegd dat, als gevolg van de actie van de vijandige krachten (de hindoe-traditie noemt die wezens asura’s), de wereld, in plaats van zich volgens de wet van het licht in inherent bewustzijn te ontwikkelen, gestort werd in duisternis, onbewustheid en onwetendheid, in alles wat we nu moeten doormaken. De scheppende macht heeft dan een smeekbede tot de opperste oorsprong gericht en Hem om een speciale tussenkomst verzocht waardoor het verbruide heelal gered zou kunnen worden. Als antwoord op die smeekbede werd uit de opperste oorsprong een speciaal wezen veruiterlijkt, bestaande uit liefde en bewustzijn. Dat wezen heeft zich rechtstreeks in de meest onbewuste materie gestort om er met zijn werk van herontwaking tot het bewustzijn en de liefde van de oorsprong te beginnen.

> Eigenlijk is [het wezen in de grot] de oorsprong van alle avatars. Het is om zo te zeggen de eerste universele avatar, die zich geleidelijk met steeds bewuster lichamen heeft bekleed en die zich tenslotte gemanifesteerd heeft in de lijn van bekende wezens die rechtstreeks uit het Opperwezen zijn voortgekomen, om het heelal zodanig voor te bereiden dat het, door een gestadige vooruitgang, eenmaal het supramentale licht in zijn volheid zal kunnen ontvangen en manifesteren.

2. Het heelal

> In de geschiedenis van ons heelal zijn er zes opeenvolgende tijdperken geweest die met een schepping begonnen zijn, die zich door een behoudende kracht hebben voltrokken en die geëindigd zijn in een ontbinding, een vernietiging, een terugkeer tot de oorsprong, in wat men een pralaya noemt […] Er is echter gezegd dat de zevende schepping er een zou zijn die zich aldoor zou blijven ontwikkelen; in plaats van na haar vertrekpunt de gewone curve te volgen, zou ze een zich blijvend ontwikkelende manifestatie zijn waardoor de Godheid zich op steeds vollediger wijze uitdrukt, zodat ontbinding en terugkeer in de oorsprong niet nodig zouden zijn. Naar het schijnt is het tijdperk waarin wij nu leven dat zevende en het zou dus niet eindigen in een pralaya […]

> Wat betekent dat de Godheid zich in deze progressieve schepping steeds vollediger manifesteert, op steeds volmaakter wijze.

> In de ontplooiing van het heelal is een gebeuren altijd het gevolg van alles wat eraan vooraf is gegaan.

> We beschikken over alle nodige woorden, zelfs met heel wat nuances en schakeringen, om de menselijke ervaring weer te geven, aangezien de taal daarvoor werd gemaakt. Welke taal zul je echter gebruiken om te verklaren wat zich buiten alle taal bevindt? Het is ontzettend moeilijk. Dus zeg je ‘het is alsof het zus of zo was’, en terwijl je spreekt, geef je je rekenschap van het onontkoombare feit dat je de ervaring zozeer aan het verdraaien bent dat je soms totaal verkeerd begrepen wordt.

> En toch heeft men ons gezegd (en het is een feit) dat die [hogere] werelden, zoals bijvoorbeeld de supramentale wereld, zich fysiek zullen verwezenlijken.

> Wie de supramentale kennis bezit zal waarschijnlijk niet door anderen begrepen kunnen worden, behalve wanneer ze in staat zijn aan die kennis deel te hebben.

> Het is dan ook heel goed mogelijk dat de supramentale kracht zich op een gegeven ogenblik zal manifesteren, dat ze hier bewust aanwezig zal zijn, dat ze op de materie zal werken, en dat degenen wier bewustzijn geen contact heeft met haar vibratie niet bij machte zullen zijn om haar waar te nemen.

> Wanneer de supramentale kracht hier dan blijvend aanwezig zal zijn, hoeveel tijd zal er nodig zijn voordat men zal voelen dat ze er is – en dat haar aanwezigheid alles verandert.

> Zodra je bijvoorbeeld in het vitale komt, heersen daar een tijd en een ruimte die vergelijkbaar zijn met de fysieke, maar zonder de concretie, de vastheid, de onveranderlijkheid die we hier kennen.

> In het mentale vlak verdwijnt de notie van tijd bijna volledig.

> Er is geen tijdsverloop nodig tussen de gedachte en de uitvoering ervan. Het is pas wanneer het mentale zich met het vitale mengt dat noties van tijd beginnen mee te spelen, en als beide dan in het fysieke afdalen is er een heel ontwikkelingsproces nodig vóór een mentaal concept ten uitvoer kan worden gebracht. Je hebt daar geen directe mentale greep op de materie.

> Dat is de reden waarom het mentale bewustzijn niets kan weten: het kan nooit iets weten omdat het verklaringen behoeft.

Note: Ook Laurency zegt dat het mentale niet de waarheid kan weten en niet de menselijke problemen kan oplossen. het is slechts een kennisinstrument

De eenheid van het heelal

> In de ontplooiing van het heelal is alles wat gebeurt het gevolg van alles wat eraan vooraf is gegaan.

> Het spel in zijn geheel is een nauw aaneengeschakelde keten waarvan elke schakel onzichtbaar met andere verbonden is.

> Het gevoel afzonderlijk te bestaan is overal aanwezig, maar het is een begoocheling. Het is een van die valse geesteshoudingen waarvan we moeten genezen als we toegang willen verkrijgen tot het ware bewustzijn.

> Er is de grote stroom van een uniek bewustzijn dat alles omvat en bevat, en dat zich manifesteert in een heelal in eeuwige evolutie. Dat is de waarheid achter de dingen. Er is echter ook de begoocheling die de waarheid voor je verbergt, de begoocheling van alles wat zich verbeeldt afzonderlijk te bestaan, dat het uit zichzelf, op zichzelf en voor zichzelf bestaat, en dat alle dingen iets op zich zijn, afgezonderd van de rest van het heelal.

> Het wonder van deze schepping, wat de aardse individualiteit betreft, bestaat erin dat men die vereniging kan verwezenlijken, die volledige vereenzelviging met de allerhoogste, met de Ene, en tegelijk het bewustzijn behouden van zijn eigen bijzonderheid, van de eigen wet die men uit te drukken heeft. Dat is de waarheid van dit heelal.

Note: Deze vereniging met behoud van individualiteit begint volgens Laurency in de Essentiele wereld (hier wss het supramentale genoemd)

> Het heelal is voor niets anders gemaakt dan om de twee polen, die twee uitersten van het bewustzijn, te verenigen. En wanneer men ze verenigt, merkt men dat de twee uitersten een en hetzelfde zijn – een geheel dat tegelijk één en talloos menigvoudig is.

> De dingen zijn wat ze zijn omdat ze zijn wat ze zijn, omdat ze zo hoorden te zijn, anders zouden ze zo niet zijn.

> We bevinden ons in een bad van krachten, maar we merken dat niet.

> Alle krachten, alle vibraties, alle impulsen komen in ons binnen en gaan door ons heen. Daardoor hebben we heel wat mentale kracht tot onze beschikking, klaar om gebruikt te worden door ons vormgevende of scheppende mentale vermogen. Dat zijn wat je vrije krachten zou kunnen noemen.

> De ideeën hebben hun oorsprong ver boven het [gewone] mentale. Er is een niveau van het mentale boven het gewone mentale waar ideeën bestaan die men oerideeën zou kunnen noemen, prototypen [van ideeën] eigenlijk. Deze ideeën dalen naar beneden en bekleden zich met mentale substantie.

Note: Deze ideeën komen wss uit wat Laurency het causale noemt (of mss het essentiële?)

> Het heelal is tenslotte niet meer dan een persoon, dan een persoonlijkheid ergens in de eeuwige schepping. Elk heelal is een persoon, die gevormd wordt, leeft en ontbonden wordt, en daarna ontstaat weer een andere. Voor ons is een persoon een menselijk individu; uit het universele oogpunt is het het universele individu dat de persoon is. Het is een heelal te midden van alle andere. (E56, 392-95)

> Wat jullie moeten leren is de verscheidenheid van de dingen in het heelal in harmonie te brengen, te synthetiseren en te combineren, en alles zijn juiste plaats toe te kennen. De harmonie moet niet in de gelijkheid worden gezocht, maar in een harmonisering die slechts bereikt kan worden door alles zijn juiste plaats toe te kennen. (E57- 58, 63)

De aarde en het heelal

> Ik ben ervan overtuigd dat toen de goddelijke liefde afdaalde in de materie, deze totaal onbewust was en er geen enkel soort vorm in bestond.

> De aardse wereld, de aarde, is pas ontstaan na de neerdaling in de onbewustheid, niet ervoor.

> Toen het bewustzijn met zijn schepping ‘begon’ was de eerste manifestatie door het scheppende bewustzijn een veruiterlijking van bewustzijn, van bewust licht. Toen die veruiterlijking zich van haar oorsprong afscheidde, werd de onbewustheid geboren door tegenstelling.

> De geboorte van de onbewustheid gaat dus aan de vorming van de werelden vooraf, en het is pas toen de perceptie ontstond dat het hele universum vergeefs geschapen zou zijn dat een oproep werd uitgestuurd en dat de goddelijke liefde zich in de onbewustheid stortte om ze in bewustzijn te veranderen.

> Men kan dus zeggen dat de vorming van de materiële werelden zoals wij die kennen het gevolg is van de afdaling van het opperste bewustzijn in de onbewustheid.

> De vorming van de aarde zoals wij haar kennen, dat kleine stipje in het onmetelijk heelal, heeft nu juist plaatsgehad om de poging tot transformatie [van onbewustheid in bewustzijn] op één punt te concentreren. Ze is als het ware een symbolisch punt in het heelal, geschapen om een invloed uit te oefenen op het hele heelal door rechtstreeks op dat ene punt te werken.

> En zoals ik reeds gezegd heb, is het alleen op de aarde dat men die aanwezigheid, dat rechtstreeks contact met de opperste oorsprong heeft, die aanwezigheid van het goddelijk bewustzijn verborgen in alle dingen. De andere werelden werden min of meer hiërarchisch geordend, bij wijze van spreken, maar de aarde heeft een speciale formatie gehad als gevolg van de rechtstreekse tussenkomst, zonder bemiddeling, van het opperste bewustzijn in de onbewustheid.

> Alles werd noodzakelijkerwijs tegelijk gevormd. De schepping heeft gelijktijdig plaatsgehad, met een speciale concentratie van het bewustzijn op de aarde.

> Hebben de wezens van andere werelden en andere planeten een psychisch wezen? Nee, dat is een verschijnsel dat uitsluitend op de aarde bestaat. Maar niets belet te denken dat de psychische wezens naar andere werelden kunnen gaan als ze dat graag willen. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat men op een andere planeet geen psychische wezens zou kunnen ontmoeten, dat is niet onmogelijk.

> Het is om het werk te vergemakkelijken dat alles geconcentreerd of geconcretiseerd werd op één punt, zodat men, in plaats van zich in de oneindigheid te moeten verspreiden om de dingen te veranderen, kan werken op één bepaald punt dat tot symbool van het volledig heelal dient.

> Voor het gemak en de vereisten van het werk werd het heelal symbolisch geconcentreerd en gecondenseerd in een stukje materie dat wij de aarde noemen. Daar is alles aanwezig in symbolische vorm. Alles wat moet worden veranderd, getransformeerd, bekeerd, is er aanwezig. Dat betekent dat als men zich op dat werk concentreert en het daar verricht, de rest vanzelf zal volgen. Anders zou er nooit een eind komen [aan de transformatie van het heelal], er zou geen hoop zijn.

> Er is een heel interessant fenomeen, ergens in het mentale van de aarde, ergens in haar vitale en ergens in haar subtiel-fysieke is de exacte, perfecte, automatische registratie te vinden van alles wat er gebeurt.

3. De mens in de evolutie

> Daarmee bedoel ik dat de menselijke levensvorm op zijn best, op het toppunt van zijn mogelijkheden, tot meer bewustzijn in staat is dan alle levensvormen die eraan voorafgegaan zijn. Dat is één manier waarop de natuur evolueert.

> Wanneer een menselijk individu de hoogst mogelijke vertegenwoordiger van de mensheid is geworden, is dat een eindpunt; verder kan het menselijk individu zich niet meer ontwikkelen.

> Om de vooruitgang van het individu mogelijk te maken, moest dus een ander middel worden gevonden.

> Het leven van de [innerlijke] bewustzijnsvorm onder die invloed, van die concentratie van innerlijke energie, is onafhankelijk van de fysieke vorm. Het is wat we gewoonlijk ‘de ziel’ of ‘het psychische wezen’ noemen. Omdat dat om de goddelijke kern heen is gevormd, bezit het ook de goddelijke eigenschap van onsterfelijkheid, van eeuwigheid. Het uiterlijke lichaam valt weg, maar [het psychische wezen] blijft bestaan door alle ervaringen in alle levens heen. Het ontwikkelt zich steeds meer in leven na leven, en dat is de ontwikkeling van hetzelfde individu.

note: Hier zie je het vergelijk met het hyzoloïca van Laurency. De ziel is gelijk aan het causale omhulsel en de goddelijke kern vertegenwoordigt de monade.

> Dit ontwikkelingsverschijnsel is een aanvulling op het eerste, in de zin dat hier, in plaats van een soort die vooruitgang maakt in vergelijking met andere soorten, een individu alle vooruitgang van die soorten doormaakt en kan blijven vooruitgaan, zelfs wanneer de soorten het toppunt van hun mogelijkheden hebben bereikt en dan zo blijven voortbestaan ofwel verdwijnen. (Dat verschilt van soort tot soort.) Verder kunnen [de soorten] niet, terwijl het individu, dat een leven bezit onafhankelijk van de zuiver materiële vorm, van de ene levensvorm in de andere kan overgaan en zijn ontwikkeling onbepaald kan blijven voortzetten. Samen vormt dat een dubbele ontwikkelingsbeweging waarvan de lijnen elkaar aanvullen.

> Die twee evolutionaire ontwikkelingslijnen kruisen elkaar en vullen elkaar aan, en ze schenken aan het goddelijk licht in elk wezen de hoogste mogelijkheid van verwezenlijking.

> Het is net een grote [magische] ketel. Je roert erin en haalt er iets uit te voorschijn; het voldoet je niet; je gooit het terug in de ketel en haalt er wat anders uit. Stel je dat voor op schaal van … alleen maar van de aarde. Begrijp je, één vorm, of een paar vormen, of honderd vormen, dat maakt voor de natuur niets uit, want ze beschikt over duizenden vormen, en nog eens duizenden, en nog eens duizenden, en over honderd jaar, duizend jaar, miljoenen jaren. Voor haar heeft dat niet het minste belang, want ze heeft de eeuwigheid voor zich.

> Zonder een bewuste medewerking van het [psychisch] wezen vordert de ontwikkeling relatief langzaam – relatief in verhouding tot de korte duur van het menselijk leven.

> Elke ervaring die het individu in een van zijn fysieke levens heeft gehad, draagt tot zijn vooruitgang bij. Het is echter het psychische wezen dat altijd vooruitgaat.

> Het kan er dus de schijn van hebben dat een mens, als tijdelijk individueel wezen, niet vooruitgaat, maar de algemene vooruitgang blijft onophoudelijk doorgaan, in die mens zoals in alle andere organismen. (E55, 479-81)

> Ze zeggen dat de eerste mens, of het eerste menselijke koppel, of de eerste menselijke individuen gematerialiseerd zijn volgens een occulte methode, enigszins zoals die door Sri Aurobindo is voorzien voor het toekomstige supramentale proces. Ze zeggen dat wezens uit hogere werelden zich een lichaam van fysieke materie hebben gebouwd of gevormd door een procédé van concentratie en materialisatie. Het zouden dus geen lagere soorten zijn geweest die geleidelijk het lichaam tot stand hebben gebracht dat het eerste menselijk lichaam is geweest.

> Gezien de manier waarop de dingen nu op aarde bestaan, is het zeer zeker een bewustzijn van een hogere orde dat in een bepaalde levensvorm neerdaalt en helpt om die vorm te transformeren, zodat hij, onmiddellijk of in de loop van generaties, in staat zal zijn om het neergedaalde bewustzijn te manifesteren.

> Het concept gaat de manifestatie en de veruiterlijking vooraf, zoveel is zeker. En allen die een direct contact met het verleden hadden overgehouden, hadden de herinnering van een soort menselijk prototype, heel erg superieur in vergelijking met de huidige mensheid, dat op aarde gekomen is als een toonbeeld en een belofte van wat de mensheid zal zijn wanneer ze haar vervulling heeft bereikt.

> Het zou dan door opeenvolgende pogingen, door steeds beter gelukte pogingen zijn geweest dat de eerste menselijke typen werden voortgebracht. (E57- 58, 269-71)

> Er is een spirituele aanwezigheid in iedereen.

> De potentie van zo’n onafhankelijk en almachtig wezen bestaat in iedereen, maar de verwezenlijking ervan kan alleen het gevolg zijn van langdurige inspanningen die zich soms over talrijke levens uitstrekken.

> Zonder die aanwezigheid zou de wanorde die wordt geschapen door het vitale geweld en de vitale hartstochten zo groot kunnen worden dat ze op onverschillig welk moment een algemene ramp zou kunnen veroorzaken, een algemene vernietiging die de vooruitgang van de natuur tot stilstand zou brengen.

> Die controle wordt uitgeoefend door de opperste aanwezigheid in de materie. Maar het is slechts in enkele uitzonderlijke mensen, na een lange, heel erg lange arbeid van voorbereiding in talrijke levens, dat de aanwezigheid tot een bewust, onafhankelijk, volledig gevormd wezen wordt, dat de almachtige meester is van de behuizing waar het in woont.

> Zelfs als een dier lijdt doordat het iets is overkomen of doordat het ziek is, is dat lijden tot een minimum beperkt door het feit dat het niet wordt geobserveerd, dat het niet in zijn bewustzijn en in de toekomst wordt geprojecteerd, dat het zich geen zorgen maakt over zijn ziekte of zijn ongeval.

> Met de mens is de nooit aflatende bezorgdheid over wat te gebeuren staat begonnen, en die bezorgdheid is de belangrijkste, om niet te zeggen de enige oorzaak van zijn kwellingen.

> De mens is té bewust om onverschillig te blijven, maar niet bewust genoeg om te weten wat er te gebeuren staat. Men zou zonder zich te vergissen kunnen zeggen dat hij van alle aardse schepselen het meest ellendige is.

> Het is pas met het spirituele vermogen om zich tot een hoger niveau te verheffen en de dierlijke onbewustheid te vervangen door een spiritueel superbewustzijn, dat in de mens niet alleen de mogelijkheid verschijnt om het doel van zijn bestaan te onderscheiden en de verwezenlijking van zijn inspanningen te voorzien, maar ook een helderziend vertrouwen en een hogere spirituele macht waarop hij zich kan verlaten.

> Het dier stelt zich geen problemen, het leeft. Het wordt gedreven door zijn instinct, het wordt geïnspireerd door een superieur collectief bewustzijn waar het een aangeboren kennis aan ontleent; dat gaat echter allemaal automatisch, vanzelf; het hoeft het niet te willen en zich in te spannen opdat het zo zou zijn, het is helemaal vanzelf zo. En omdat het voor zijn leven niet verantwoordelijk is, maakt het zich geen zorgen.

> Met de mens ontstaat het gevoel dat hij op zichzelf moet vertrouwen, en omdat hij niet de nodige kennis bezit, is dat een eeuwige bron van kwelling. Aan die kwelling kan slechts een eind komen door een totale onderwerping aan een bewustzijn dat hoger is dan het zijne en waaraan hij zich volledig kan overgeven, waaraan hij de zorg voor zichzelf kan overlaten, de leiding van zijn leven en de beschikking over alles.

> Toch is aan de mens het bewustzijn gegeven om vooruit te gaan, om te ontdekken wat hij niet weet, om te ontwikkelen wat hij nog niet is. Daarom kan men staande houden dat er een hogere staat is dan die van een onbeweeglijke, statische vrede, namelijk een vertrouwen groot genoeg om die wil tot vooruitgang te bewaren en de inspanning tot vooruitgang door te zetten zonder angst, zonder zich te bekommeren om de resultaten en de gevolgen.

> De stap daaraan voorbij bestaat erin het probleem onder ogen te zien, maar met de kalmte en de zekerheid van een absoluut vertrouwen in de opperste macht die wéét en die je leven kan sturen. Dan, in plaats van de actie de rug toe te keren, kun je haar uitvoeren in een hogere toestand van vrede, die sterk en daadkrachtig is.

> Ook iedere mens die voorbij het stadium van de diermens is gekomen en die een mens-mens aan het worden is, heeft werkelijk de behoefte (die ik ‘onverbeterlijk’ zou kunnen noemen) om iets anders te worden dan dat zo onbevredigende halfdier – onbevredigend in zijn uitdrukkingswijze, in de middelen om zich uit te drukken en in de middelen om te leven.

> De vraag nu is deze: zal de aspiratie van die behoefte krachtig genoeg blijken opdat de vorm zelf, opdat de soort als geheel zich zou ontwikkelen en zich zou omvormen? Of is het alleen maar zo dat het onvergankelijke bewustzijn in het wezen de bestaande vorm zal verlaten wanneer hij ontbonden wordt, om [in een volgend leven] over te gaan in een hogere vorm – die trouwens, zoals iedereen kan merken, nog niet bestaat?

> Mogen we hopen dat dit lichaam, nu ons middel van manifestatie op de aarde, de mogelijkheid zal vertonen om zich progressief te transformeren in iets wat de uitdrukking van een hoger leven zal kunnen zijn of zullen we van deze vorm volledig afstand moeten doen om in een andere over te gaan die nog niet op de aarde bestaat?

> Om je de waarheid te zeggen, ieder die een intense aspiratie en een innerlijke zekerheid heeft, zal tot de realisatie geroepen worden.

> De dieren bezaten de mogelijkheid niet om te beseffen waar het om ging, om zich ermee bezig te houden en ermee bezig te blijven. Het is trouwens daarom dat dat deel van de geschiedenis van de aarde nagenoeg geheel verdwenen is. Eerst moest een mentaal vermogen zoals dat van de mens ten tonele verschijnen om de lijn van de transformatie te kunnen zien en die in herinnering te houden.

> Nu we echter op de drempel van de nieuwe transformatie staan […] en we het transformatieproces van het mentale menselijke wezen in het supramentale wezen gaan meemaken, zal het historisch vermogen van het mentale bewustzijn zijn nut voor ons hebben, want het zal toekijken bij wat er gebeurt en er notitie van nemen.

> Jullie worden dus aangespoord tot een bijzondere ontwikkeling van het observatievermogen, opdat dat alles niet als in een soort droom zou gebeuren en jullie niet tot een nieuw leven zouden ontwaken zonder te weten hoe het allemaal gegaan is. Jullie moeten helemaal waakzaam zijn, helemaal wakker.

> Open de ogen van de hogere intelligentie en volg wat zich aan het voltrekken is zonder vooroordelen of voorkeuren, zonder egoïsme en zonder banden. (E57-58, 332-33)

> De natuur heeft plotseling begrepen. Ze heeft begrepen dat het nieuwe bewustzijn dat geboren is haar niet wil verdringen maar integendeel geheel en al omhelzen. Ze heeft begrepen dat de nieuwe spiritualiteit zich niet van het leven verwijdert, dat ze niet bevreesd terugdeinst voor de enorme omvang van zijn werkingen, maar dat ze integendeel al zijn aspecten in zich wil opnemen. Ze heeft begrepen dat het supramentale bewustzijn er niet is om haar te verkleinen maar om haar tot vervulling te brengen.

> De natuur stemde toe. Ze zag met de hele eeuwigheid voor zich dat het supramentale bewustzijn haar op een meer volmaakte wijze zal vervolledigen, dat het nog meer kracht zal schenken aan haar werkingen en een nog grotere reikwijdte en meer mogelijkheden aan haar spel.

> De natuur heeft in haar krachtenspel de pas gemanifesteerde supramentale kracht aanvaard en opgenomen in haar werkingen. Zoals altijd hebben de werkingen van de natuur plaats op een schaal die de menselijke oneindig overtreft en die door een gewoon menselijk bewustzijn niet vatbaar is. Het is eerder een innerlijke, psychologische mogelijkheid die in de wereld is geboren dan een opzienbarende verandering in de aardse gebeurtenissen.

> Het mentale is slechts een middenterm van bewustzijn, het mentale wezen [d.w.z. de mens] kan slechts een overgangswezen zijn.

> Is de mens niet in staat boven zijn mentale vermogens uit te stijgen, dan moet hij voorbijgestreefd worden; het supramentale en de supermens moeten zich dan manifesteren en de leiding van de schepping overnemen. Zijn de mentale vermogens van de mens echter wel in staat om zich open te stellen voor wat ze te boven gaat, dan is er geen reden waarom hij het supramentale en de supermenselijkheid niet zou verwezenlijken, of waarom hij niet minstens zijn mentale vermogens, levenskrachten en lichaam ten dienste zou stellen van een ontwikkeling van die grotere term van de Geest die zich in de natuur zal manifesteren.’ [Sri Aurobindo, The Life Divine, blz. 846- 47]

> We kunnen met zekerheid bevestigen dat er een tussenschakel komt tussen het mentale en het supramentale wezen, een soort supermens die nog gedeeltelijk de eigenschappen en de natuur van de mens zal bezitten, wat wil zeggen dat hij door zijn meest uiterlijke vorm nog tot de mensheid van dierlijke afkomst zal behoren. Hij zal echter zijn bewustzijn in voldoende mate transformeren opdat het in zijn verwezenlijking en in zijn werkingen tot een nieuwe soort zou kunnen behoren, een soort van supermensen.

> Men kan deze soort als een overgangssoort beschouwen, want het is te voorzien dat ze het middel zal ontdekken om nieuwe wezens voort te brengen zonder de vroegere dierlijke reproductiemethode te moeten gebruiken, en het zijn deze wezens, waarlijk uit de geest geboren, die de elementen van de nieuwe supramentale soort zullen vormen.

> Ze heeft een subtiliteit van vibratie die de globale, universele perceptie spontaan en natuurlijk maakt. Met die substantie verdwijnt het gevoel van opdeling, van apart bestaan, op natuurlijke en spontane wijze. En die substantie is nu bijna algemeen in de aardatmosfeer verspreid.

> Men kan daaruit besluiten dat zodra een lichaam, al is het nog volgens de oude dierlijke methode gevormd, in staat is dit nieuwe bewustzijn op een natuurlijke en spontane manier te beleven zonder daarvoor een inspanning te moeten doen, zonder uit zichzelf te moeten treden, daardoor bewezen wordt dat zoiets geen buitengewoon of uniek geval is. Het is gewoon de voorloper van een realisatie die gedeeld kan worden door een aantal individuen, ook al is ze nog niet algemeen. Deze individuen zullen trouwens zodra ze er deel aan hebben het gevoel verliezen apart te bestaan, ze zullen tot een levende gemeenschap worden.

> Het wordt evident dat wat Sri Aurobindo in een brief geschreven heeft een profetische voorspelling is geweest, namelijk dat het supramentale bewustzijn in 1967 in een fase van verwezenlijkende macht zal treden. (E57-58, 355-58)

> Het supramentale of goddelijke eenheidsbewustzijn, dat zich op 29 februari 1956 in de aardatmosfeer heeft gemanifesteerd. Op die datum is een nieuwe era in de universele geschiedenis begonnen.

4. Planten en dieren

> Er is ook ‘de geest van de soort’, die een bewustzijn is. Er is reeds een actief bewustzijn werkzaam in de planten. En in de geest van de soort is er een begin – heel embryonaal weliswaar –, een begin van een respons op de invloed van de psyche. Bepaalde bloemen zijn duidelijk de expressie van een psychische aanwezigheid en aspiratie in de plant. Dat is niet heel erg bewust, maar het is aanwezig als een spontane impuls.

> Het zijn doorgaans vitale entiteiten die hun toevlucht in bomen zoeken, zoals het meestal bepaalde wezens uit het vitale zijn die de wouden bewonen.

> Het psychische wordt pas in de mens geïndividualiseerd, maar het is al aanwezig vóór hem. Het is dan echter niet hetzelfde soort individualisering als in de mens, ze is minder concreet. Ze manifesteert zich als kracht, als bewustzijn veel meer dan als individualiteit.

> In het plantenrijk is er het begin van een psyche maar niet het begin van een mentaal bewustzijn. Bij de dieren is dat anders. In hen begint het mentale leven vorm aan te nemen en de dingen hebben een zin voor ze.

> Ik heb jullie dit voorbeeld verteld, maar er zijn ontelbare andere gevallen die even weerzinwekkend zijn, even monsterachtig voor ons menselijk bewustzijn – dat de wezens, de vormgevers welke die insecten hebben geschapen afschuwelijke naarlingen moeten zijn geweest, met een perverse, diabolische verbeelding. Dat is heel goed mogelijk, want men zegt dat de oorsprong van de insectensoorten zich in het [lagere] vitale bevindt, dat de vormgevers ervan tot de [lagere] vitale werelden behoren, wezens dus die de boosaardigheid in de wereld niet alleen symboliseren maar ook vertegenwoordigen en uitleven. Ze zijn zich daarom heel erg bewust van hun boosaardigheid en oefenen haar met opzet uit.

> Alles wat ik van de dieren afweet is dat ze door hun instinct tot handelen worden aangezet, maar dat ze niet de perversiteit van het menselijk mentale bewustzijn bezitten. Ik geloof dat het door de werking van het mentale is, onder de rechtstreekse invloed van het vitale, dat de mens een kwaadwillig wezen is.

> Er is een instinct van de soort. Er zijn er die zeggen dat er zelfs een ‘geest van de soort’ is, een bewust wezen voor elke soort. Het instinct volgt de manier waarop de natuur te werk gaat en de natuur is een bewuste kracht die weet wat ze wil.

> Maar de natuur heeft een ontwerp, ze heeft een bewuste wil, ze is een volledig bewuste entiteit. Je kunt niet ‘een wezen’ zeggen, want dat is niet op dezelfde schaal.

> Daarom zeg ik dat de natuur geen ‘wezen’ is, maar een bewuste entiteit, een bewuste wil die de dingen bewust doet, uit vrije wil, en die enorme krachten tot haar beschikking heeft.

> De bijen, de mieren gehoorzamen aan de geest van hun soort die van een hoge orde is. Wat het ‘instinct’ van de dieren wordt genoemd, is gewoon een gehoorzamen aan de geest van de soort, die altijd weet wat er wel of niet gedaan moet worden.

> Alle dieren die met de mens in aanraking komen, verliezen hun instinct, omdat ze een soort bewondering vol toewijding hebben voor dat wezen dat hun zonder de minste moeite beschutting en voedsel kan geven.

> Laat je een dier in zijn gewone milieu, ver van de mens, dan gehoorzaamt het aan de geest van de soort; het heeft dan een zeer betrouwbaar instinct en zal nooit domheden begaan. Houd je een dier echter bij je, dan verliest het zijn instinct en ben jij het die erover moet waken, want het weet dan niet langer wat het wel of niet moet doen.

> Dieren hebben een erg rudimentair mentaal bewustzijn. Ze worden niet onophoudelijk door gedachten gekweld zoals mensen. Ze voelen bijvoorbeeld spontane dankbaarheid voor een blijk van goedheid tegenover ze, terwijl mensen achtennegentig keren van de honderd gaan nadenken en zich afvragen wat voor eigenbelang er wel achter die goedheid kan schuilen.

> De mentale functie heeft bij de mens, in haar rudimentaire vorm, in het begin van haar manifestatie, heel wat dingen bedorven die voordien veel mooier waren. Natuurlijk, als de mens een trap hoger gaat en van zijn intellect een goed gebruik maakt, dan kunnen de dingen een veel grotere waarde verkrijgen. Tussen beide wezenstoestanden in is er echter een overgang waar de mens van zijn intellect het gemeenste en meest platvloerse gebruik maakt.

> Neem echter menselijke wezens en je ziet, op heel weinig uitzonderingen na, dat vanaf het ogenblik dat het mentale bewustzijn actief wordt, zij hun voordeel proberen te doen met hun goed voorkomen en hun begaafdheden. Zij willen dat het iets opbrengt, of dat de anderen hen bewonderen, of ze hebben nog veel lagere bedoelingen. Vanuit psychisch standpunt staat de roos dus hoger dan de mensen.

> Ga je echter een trap hoger en doe je bewust wat de roos onbewust doet, dan is dat heel wat mooier. Het moet echter hetzelfde iets zijn: een spontane ontluiking van schoonheid, zonder berekening, om de vreugde van te bestaan.

> Dat soort drang om profijt te trekken uit wat men heeft of wat men doet is werkelijk een van de lelijkste dingen ter wereld. Het is ook een van de meest verspreide, zozeer verspreid dat het bijna een spontane menselijke wezenstrek is geworden. Er is niets dat de goddelijke liefde vollediger de rug toekeert dan dat: die drang om te berekenen en te profiteren.

> De mens denkt bij wat hij doet. Soms kan dat de handeling bederven (niet soms: meestal) en soms kan het de handeling tot een hogere orde verheffen (maar dit is zeldzaam).

> Er is een punt waar alle deugden samenkomen en dat punt bevindt zich voorbij het ego.

> Als we die trouw nemen, die toewijding, die liefde, die drang om te dienen – als dat alles boven het egoïstisch niveau kan uitstijgen, gaat het op elkaar lijken; het wordt een geven zonder iets terug te verwachten. Ga je nóg een trapje hoger, dan gebeurt dat, in plaats van plichtsbewust en in zelfverloochening, in een intense blijdschap die haar eigen beloning is, die niets terug verwacht omdat ze haar eigen vreugde in zich draagt.

> Je moet daar heel ver aan voorbij zijn, je moet het heel ver achter je hebben gelaten om werkelijk de vreugde van de trouw te kennen, de vreugde van het geven van jezelf die zich hoegenaamd niet, maar dan ook hoegenaamd niet afvraagt, op geen enkele manier, of dat wel goed ontvangen wordt en of de respons naar verhouding is. Niets in ruil verwachten voor wat je doet. Niets verwachten – niet uit ascetisme of opoffering, maar omdat je de vreugde ervaart van het bewustzijn waarin je je bevindt en omdat dat voldoende is, veel beter dan alles wat men terug kan krijgen van wie dan ook.

> Een deel van haar moet zich vervolgens op de een of andere manier [in die kat] hebben geïncarneerd. Wat zich erin geïncarneerd heeft, was een innerlijke gevoelstoestand, zie je, het was niet de hele persoonlijkheid; het was een innerlijke gevoelstoestand die aan die vrouw had toebehoord en die in de kat was overgegaan. Dat was daar dus om de een of andere reden aanwezig. Ik zou niet kunnen zeggen hoe het gegaan is, ik heb er geen idee van, maar die kat was compleet menselijk in haar gedragingen.

5. De gradaties van het bestaan en hun expressie in de mens

> Jullie voelen goed genoeg dat er iets ‘bestendigs’ is in jullie.

> Wat is het dat daarin bestendig is? Het psychische wezen natuurlijk. Want opdat iets bestendig zou zijn, moet het in de eerste plaats onsterfelijk zijn, anders kan het niet bestendig zijn.

> Dat is het grote mysterie van de schepping, want alles is hetzelfde bewustzijn: het bewustzijn is één. Maar van het ogenblik af dat dat bewustzijn zich manifesteert, zich veruiterlijkt, zich ontplooit, wordt het in ontelbare delen opgesplitst voor de vereisten van de expansie, en elk van die delen is het begin, de oorsprong van een individueel wezen geweest.

> Het individuele wezen schijnt zich aldus steeds verder van zijn oorsprong te verwijderen, door de noodzaak van de individualisering. Als deze individualisering, deze bewustwording van de innerlijke waarheid, echter eenmaal voltooid is, dan wordt het mogelijk in de veelvoudigheid de oorspronkelijke eenheid te herstellen door een innerlijke vereenzelviging. Dit is de bestaansreden van het heelal zoals het zich aan ons voordoet; het is met dat doel dat het heelal werd gemaakt.

> Omdat de oorsprong van de individualisering zich in het Opperwezen zelf bevindt, het ego slechts een voorbijgaande vervorming is, momenteel noodzakelijk, die zal verdwijnen wanneer ze niet nuttig meer is, wanneer het waarheidsbewustzijn [op aarde] gevestigd zal zijn. (E50-51, 191-94)

Het onderbewuste en het subliminale

> Als je niet in het onderbewuste kunt doordringen en de dingen dáár veranderen, met andere woorden als je dat onderbewuste niet in bewustzijn kunt omzetten, blijft het zo gaan. De remedie bestaat erin dat wat onderbewust is in bewustzijn te veranderen. Wanneer iets aan de oppervlakte komt, in het bewustzijn, dan is dat het ogenblik om het te veranderen. Er is een nog directer middel, namelijk bij volle bewustzijn in het onderbewuste afdalen en het daar ter plekke transformeren, maar dat is moeilijk. Zolang dat echter niet gebeurd is, kan elke vorm van vooruitgang – ik bedoel fysieke vooruitgang, in het lichaam – steeds weer ongedaan worden gemaakt. (E55, 162-63)

> ‘Alle begeerten die verdrongen worden zonder ontbonden te zijn, proberen zich te bevredigen terwijl de wil ingesluimerd is. En omdat begeerten ware centra van dynamische vorming zijn, proberen ze in ons en om ons heen een geheel van omstandigheden te scheppen dat voor hun bevrediging het gunstigst is.’

> Het mentale vormt entiteiten die een min of meer onafhankelijk leven gaan leiden en proberen zich te manifesteren.

> Begeerten behoren tot het domein van het vitale, maar in de kern van een begeerte bevindt zich altijd een gedachte, en de begeerte wordt veel actiever en veel dynamischer wanneer ze in zich de vormgevende mentale macht samen met de verwerkelijkende vitale macht draagt.

> Het vitale is het centrum van het dynamisme van het menselijk wezen, van zijn actieve energie, en beide samen [de mentale vormgevende macht en de vitale verwerkelijkende macht] vormen iets wat heel erg krachtig is, met een uitgesproken tendens om zich te verwezenlijken.

> Wat je niet beseft is dat, als je in jezelf de begeerte niet uitroeit die de kiem van een formatie is, die formatie om zo te zeggen in het onderbewuste wordt geperst wanneer ze belet wordt zich te manifesteren – naar het onderbewuste verdreven en daar helemaal onderaan in samengeperst. Ga je in dat onderbewuste zoeken, dan zul je zien dat ze er wacht om zich ondanks alles uit te werken.

De materie en het lichaam

> De fysieke wereld, door iedereen voor de enige werkelijkheid gehouden, is niet meer dan een afbeelding. Ze is een afbeelding van alles wat gebeurt in wat wij het onzichtbare noemen. Voor ons wordt dat zichtbaar doordat de vibraties bij wijze van spreken op een scherm worden opgevangen zodat er een beeld ontstaat. Was dat scherm er niet, dan zouden die vibraties ongehinderd hun weg voortzetten en we zouden niets zien. Toch zouden alle [universele] zijnswijzen bestaan, maar voor ons zouden ze onzichtbaar zijn als dat scherm er niet was om ze te onderscheppen.

> Alles wat de mensen om je heen van je willen, verlangen, hopen of verwachten komt bij je binnen in de vorm van suggesties die zelden uitgesproken worden, maar die je absorbeert zonder ertegen te reageren en die in jou plotseling een gelijkaardige begeerte, of wil, of aandrift opwekken. Dat gaat zo van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en ook van ’s avonds laat tot ’s morgens vroeg.

> Deze aardse wereld, deze mensenwereld, wordt namelijk voortdurend overrompeld door de krachten uit de aanpalende [lagere] vitale wereld, uit de subtielere oorden buiten de viervoudige aardse atmosfeer. Die [lagere] vitale wereld, die niet onder de invloed van de psychische krachten noch van het psychische bewustzijn staat, bestaat essentieel uit kwade wil, wanorde en disharmonie, kortom uit de meest antigoddelijke elementen die men zich kan indenken. Die vitale wereld dringt voortdurend in de fysieke door, en doordat ze veel fijnstoffelijker is dan de fysieke is ze meestal, behalve in enkele zeldzame uitzonderingen, totaal onwaarneembaar. Er zijn in die wereld entiteiten, wezens, wilsvormen, individualiteiten die allerlei boze bedoelingen hebben, en die elke gelegenheid te baat nemen om zich te amuseren als het kleine wezentjes zijn, om kwaad te doen en wanorde te stichten als het grotere, machtiger wezens zijn.

> Ze dorsten of hongeren soms naar bepaalde menselijke vitale vibraties, voor hen een gerecht waar ze verlekkerd op zijn; hun spel bestaat er dan in bij de mens de negatieve aandriften op te wekken waardoor hij zijn krachten uitstort zodat zij er zich op hun gemak mee kunnen voeden. Alle uitbarstingen van woede, geweld, hartstocht of begeerte, alles waardoor men spasmodisch bepaalde energieën uit zich stoot, hebben die vitale entiteiten het liefst, omdat ze ervan genieten als van een delicatesse. Hun tactiek is eenvoudig: ze sturen je een kleine suggestie, impuls of vibratie die in je doordringt en die door besmetting of resonantie in jou de nodige vibratie opwekt om de kracht uit te stoten waarmee zij zich willen voeden.

Het vitale (de levenskrachten)

> Het is de tussenlaag tussen het fijnstoffelijke lichaam en het meest materiële vitale lichaam.

> Word je je bewust van het zwakke punt in je vitale omhulsel, dan zijn enkele minuten concentratie, of een oproep tot de kracht, of een innerlijke vrede soms voldoende om dat te herstellen, om het te genezen en om wat je hinderde te doen verdwijnen. (E50-51, 70-71)

> Bij personen die iets intens verlangen, gaat dat verlangen van hen uit als een klein wezentje met een vlammetje binnenin. Dat wezentje heeft zijn eigen lotsbestemming. Het beweegt zich door de wereld, waar het misschien met andere dingen in botsing komt. Jij bent het vergeten, maar zelf vergeet het nooit dat het een bepaald resultaat moet zien te verwezenlijken.

> Het is net een dienaar die je hebt uitgestuurd en die al het mogelijke heeft gedaan om zijn opdracht uit te voeren.

> En zo gaat het inderdaad: als je gewerkt hebt om iets te verwezenlijken, wórdt het ook verwezenlijkt, altijd – misschien zelfs nadat je gestorven bent. Immers, omdat je lichaam ophoudt te bestaan, houden die vibraties niet op te bestaan, ze werken zich ergens uit.

> Het vitale bekeren? Zeker kan dat. Het is een moeilijk karwei, maar het kan. Kon het niet, dan zou er geen hoop zijn. Maar het mentale is daar doorgaans als instrument niet voldoende voor.

> Alleen wanneer het contact met de psyche tot stand is gebracht, kan er van bekering sprake zijn – van onverschillig wie, ook van de grootste misdadigers, en soms in een handomdraai.

> Wordt het op de goede manier geleid, dan kan het prachtige dingen doen.

> Er is één iets wat het vitale verafschuwt, en wel een vaal, eentonig, grauw, kleurloos en waardeloos bestaan. Komt het daarin terecht, dan valt het in slaap. Het zinkt dan weg in een toestand van inertie. Het is waar dat het van extreem geweld houdt, dat het ontzettend boosaardig en ontzettend wreed kan zijn, maar het kan ook ontzettend edelmoedig, goed en heldhaftig zijn. Het is in alles extreem en kan zich aan de goede of aan de kwade kant bevinden al naar gelang, hoe zal ik het zeggen, al naar gelang uit welke hoek de wind waait.

> Het houdt van het buitengewone – het buitengewoon slechte of het buitengewoon goede, als het maar buitengewoon is. Het heeft een hekel aan een alledaags leven en wordt daar zelf kleurloos en half inert van. En sluit men het ergens in een hokje en zegt men ertegen: ‘Houd je nu koest’, dan blijft het daar zo zitten en verkwijnt hoe langer hoe meer, tot het tenslotte een soort mummie geworden is zonder nog een sprankje leven, helemaal uitgedroogd. Men heeft dan niet langer de kracht om te doen wat men zou willen. Men kan nog prachtige ideeën hebben en voortreffelijke plannen, maar de energie om ze uit te voeren is niet langer aanwezig. Beklaag je dus niet als je een krachtig vitale hebt, maar je moet er ook stevige teugels voor hebben en het strak in toom houden. Dan gaat het wel. (E53, 289-92)

note: Ik denk dat we het vitale mogen vergelijken met het emotioneel onhulsel (en wereld) zoals Laurency bedoelt

Het mentale

> In de mentale wereld zelf zijn er talrijke gradaties.

> We hebben het daarom over een hoger mentale, een intermediair mentale, een fysiek mentale en zelfs over een volkomen materieel mentale.

> Er zijn mentale regionen hoog boven de vitale wereld, die aan haar invloed ontsnappen; je ontmoet daar geen vijandige krachten of wezens. Er zijn echter andere [mentale regionen], veel andere, die zich binnen het bereik van de vitale krachten bevinden en ervan doordrongen worden.

> De mentale gradatie die tot de fysieke wereld behoort (en die we over het algemeen het fysiek-mentale noemen) is in haar samenstelling en werkingen meer materieel dan het eigenlijke mentale en voor een groot deel in de greep van de vitale wereld en de vijandige krachten. Dit fysiek-mentale heeft doorgaans een soort bondgenootschap gesloten met het bewustzijn van het lager vitale en met zijn werkingen.

> Dit is de mentale gradatie die het meest openstaat voor suggesties uit de vitale wereld en die het vaakst door de vijandige krachten wordt overweldigd.

note: Laurency zegt ook dat het lagere mentale onder invloed staat van het emotionele

> We hebben in ons echter ook een hoger mentale dat zich beweegt in de wereld van de belangeloze gedachten en van de verlichte bespiegelingen, en dat de vormen [van het materiële heelal] voortbrengt. Dit [hoger mentale] spant niet samen met de vitale aandriften.

> Nog hoger is er het mentale van de zuivere ideeën vóór ze in vormen worden omgezet; hier vind je geen enkel spoor meer van de invloed van vitale wezensuitingen en van de vijandige krachten, want het bevindt zich daar hoog boven.

Note: Zou dit hogere mentale al het causale (van Laurency) kunnen voorstellen? Laurency noemt het causale immers ook 'de wereld van ideeën' (van Plato).

> De werkingen van die [hogere] mentale werelden kunnen echter worden nagebootst of er kan een verkeerd gebruik van hun scheppingen worden gemaakt door perverse en vijandige wezens van een groter formaat en een hogere herkomst dan alle die ik tot nog toe vermeld heb. (E29, 72- 74)

> Wanneer het goed ontwikkeld is, is het een heel erg machtig en heel erg bruikbaar instrument voor organisatie en vormgeving.

> Kennis is niet uit het mentale afkomstig; ze is, zoals ik net zei, afkomstig uit de mystieke diepten van de ziel of uit een hoger bewustzijn; maar het mentale concentreert de kennis in de fysieke wereld en organiseert haar opdat ze tot basis van de actie van het hoger bewustzijn zou kunnen dienen.

> Alles wat uit de vitale wereld komt kan door het mentale onder controle worden gebracht en aangewend voor gedisciplineerde en georganiseerde handelingen. Dit moet echter gebeuren ten dienste van iets anders, niet alleen maar tot zelfvoldoening.

> Dat zijn de twee nuttige aspecten van het mentale:

  • als controlerend element, als controlewerktuig, en ook

  • als instrument voor organisatie.

> Er is echter een mentale substantie net zoals er vitale en fysieke substantie is. En omdat er zo’n substantie is, is er ook een eraan beantwoordende, op zich bestaande wereld, wat wil zeggen dat het mentale apart van het fysieke kan bestaan. Zelfs wanneer het fysieke zou verdwijnen, zou het mentale kunnen blijven voortbestaan.

Note: Ook in Hylozoïca is sprake van duidelijke aparte werelden van fysieke en mentale

> Het eerste dat je moet weten is dat de verschillende bestaansgradaties een verschillende dichtheid bezitten, en ook een individueel bestaan, onafhankelijk, eigen aan elk ervan; dat dat werkelijkheden zijn die bestaan, dat dat waarlijk reële substanties zijn en niet zomaar bestaanswijzen.

> De mentale activiteit heeft haar eigen domein en het mentale domein heeft zijn eigen realiteit, zijn eigen substantie.

> Het speculatief mentale moet getraind worden om zich te ontwikkelen. Wordt het niet op een systematische manier getraind, dan leef je altijd in een soort wolk.

> Zolang men in zijn hoofd geen orde schept, loopt men op zijn minst de kans om geen controle te hebben over wat men denkt.

> Dit is in feite de reden van het fysieke bestaan. Ieder is een instrument voor de controle van een bepaald geheel van vibraties die zijn eigen opgaaf, zijn eigen werkterrein uitmaken; ieder moet daarom slechts de vibraties willen ontvangen die overeenstemmen met het goddelijk plan en de andere weigeren. (E57-58, 284-87)

> Wezens uit de mentale wereld hebben ook een eigen persoonlijkheid en zelfs een vorm die permanent kan zijn als ze dat verkiezen. Hun vorm is de expressie van hun denken en is voldoende plastisch om met het denken te kunnen veranderen, terwijl hij toch ook voldoende duurzaam is om blijvend herkenbaar te zijn.

> Er zijn heel wat formaties die zich op aarde proberen te verwezenlijken, maar de mentale formaties [die dat willen] zijn meestal voortgebracht door menselijke wezens en blijven op het mentale niveau voortwerken met de bedoeling het denken van de mensen onder hun invloed te brengen. De wezens van het mentale niveau als zodanig zijn over het algemeen scheppende wezens, en omdat ze scheppers van vormen zijn, zijn ze er niet al te zeer in geïnteresseerd andere bestaande vormen te beïnvloeden. Ze zijn er tevreden mee zich uit te drukken door middel van de vormen die ze voortbrengen. (E50-51, 250-51)

> In de mentale wereld schept het menselijk denken voortdurend vormen. Het menselijk denken is in de mentale wereld erg creatief. Wanneer je denkt, schep je voortdurend vormen. Je zendt ze uit en ze gaan hun werk uitvoeren. Je bent voortdurend omringd door een zwerm van kleine formaties.

> Dat is een hele wereld die [door de mensheid als geheel] nog te ontdekken valt. We leven waarlijk in onwetendheid. We bezitten vermogens die we niet kennen, dus bedienen we er ons niet of heel slecht van. We bedienen ons ervan op een onbewuste manier en heel slecht.

> Ze wist (en dit is ook bewezen) dat mentale formaties op een gegeven ogenblik een persoonlijk leven gaan leiden, onafhankelijk van de vormgever ook al blijft er een band met hem bestaan, maar onafhankelijk in de zin dat ze een eigen wil bezitten.

> Als je bijvoorbeeld sterk aan iemand denkt, bevindt zich ogenblikkelijk een kleine emanatie van je mentale substantie bij die persoon, een vibratie van je denken die met het zijne contact gaat maken.

> Personen met sterke begeerten voorzien de mentale formatie van een soort vitaal omhulsel dat haar nog werkelijker maakt. Zulke personen zijn in het algemeen omgeven door een groot aantal kleine wezentjes die hun eigen formaties zijn, hun eigen mentale formaties bekleed met vitale kracht. Die vallen je de hele tijd lastig om je materieel de formatie te doen realiseren die je zelf hebt voortgebracht.

> Ieder draagt het gezelschap van zijn eigen begeerten met zich mee.

> De verbeelding is in feite een vormgevend mentaal vermogen. Wordt dat vermogen ten dienste van de Godheid gesteld, dan is het niet alleen vormgevend maar ook scheppend. Er bestaan trouwens geen irreële vormgevingen, want elke verbeeldingsvorm is een realiteit in het mentale vlak.

> Het grootste deel van ons leven is in feite het resultaat van onze verbeelding.

> Elke keer dat je je verbeelding ongezonde paden laat volgen door haar te gebruiken om vorm te geven aan wat je vreest en ongevallen of rampen te voorzien, ondermijn je je eigen toekomst. Is je verbeelding daarentegen positief gericht, dan heb je meer kansen om het gestelde doel te bereiken.

> Ik herhaal het, wees nooit terneergeslagen of droefgeestig. Je verbeelding moet altijd vol hoop zijn, altijd ontvankelijk en welgemoed blijven en onder de invloed van de hoogste waarheid, zodat deze in je kant en klaar alle nodige vormen kan aantreffen om gestalte te geven aan haar scheppend licht.

> Wat er ook gebeurt, laat je nooit ontmoedigen; integendeel, leef in de voortdurende hoop, in de onuitroeibare overtuiging dat wat we ondernomen hebben uiteindelijk zal slagen. (E30-31, 219-20)

> [De verbeelding] is een instrument dat je kunt leren beheersen, dat je naar willekeur kunt gebruiken, dat je kunt richten, afstemmen. Het is een eigenschap die je in jezelf kunt ontwikkelen en ten nutte maken, die je kunt gebruiken met een bepaald doel.

> Als het in plaats van verlangens om aspiraties naar spirituele zaken gaat en je je inspanning regelmatig doorzet, dan ben je er absoluut zeker van op een dag te verkrijgen wat je je verbeeld hebt.

> Dat is wat we gezegd hebben, dat de rede in het rationele domein datgene is wat je het juiste oordeel geeft en de goede richting aanwijst.

> Het spreekt vanzelf dat een wezen dat in een draaikolk van duisternis verkeert niet klaar is om de Geest te ontvangen. Ben je er echter door het gebruik van de rede in geslaagd je wezen op een logische, redelijke, evenwichtige en wijze manier te organiseren – de rede is in haar essentie een instrument van wijsheid – dan is dat een uitstekende voorbereiding om voorbij de rede te gaan, als je maar weet dat ze geen eindpunt maar slechts een voorbereidend middel is. Ze is een basis, zie je. Degenen die spirituele ervaringen hebben, die een contact met de hogere werelden hebben zonder daarvoor in hun lagere wezensdelen klaar te zijn, ondervinden heel wat moeilijkheden omdat ze voortdurend te kampen hebben met een hoop wezenselementen die niet op orde zijn, niet gezuiverd, niet geclassificeerd. Elk daarvan trekt het laken naar zijn kant; het heeft zijn eigen aandriften, voorkeuren en begeerten, en het licht dat van boven gekomen is moet daar dan orde in scheppen. Had de rede op voorhand haar werk gedaan en de plaats min of meer schoon en leefbaar gemaakt, dan zou de Geest bij zijn neerdaling er zich gemakkelijker hebben kunnen vestigen. (E55, 196-97)

> Een begeerte, een hartstocht is iets heel erg levends en blijft ook heel lang leven, zelfs onafhankelijk van het wezen dat hem veel meer passief ondergaan dan actief gevormd heeft. Dat zijn namelijk dingen die je ondergaat, die van buiten op je afkomen als een storm die je wezen overweldigt en meesleept als je je niet heel rustig houdt, zo, helemaal onbeweeglijk en rustig als klampte je je binnenin aan iets stevigs en onwrikbaars vast en liet je de storm uitrazen. Terwijl hij aan het razen is, moet je je niet verroeren. Je moet niet rillen van schrik, wankelen op je benen of je van je stuk laten brengen, maar volmaakt onbeweeglijk blijven en weten dat stormen overgaan. En wanneer de storm is uitgewoed, dan is het voorbij. Je kunt eens diep ademhalen en weer je gewone evenwichtige toestand aannemen, met een minimum aan aangerichte schade. Zo eindigt het doorgaans goed.

> Er zijn echter verschillende verdiepingen. Eerst is er de verdieping waarmee we het meest vertrouwd zijn, die waar de hersenen van ieder van ons op afgestemd zijn; die [ideeën] krioelen hier, op de verdieping van de doorsneemens. Dan is er een iets hogere verdieping voor personen die men denkers noemt. En daarboven zijn nog hogere verdiepingen, veel; sommige bevinden zich voorbij de wereld van de woorden maar behoren nog steeds tot het domein van de ideeën. En er zijn personen die in staat zijn tot helemaal bovenaan te klimmen, daar iets wat op een licht gelijkt te bemachtigen en het naar beneden te brengen samen met zijn hele voorraad ideeën en gedachten. Breng je een idee uit een van de hoogste domeinen naar beneden, dan neemt ze een bepaalde ordening aan, ze kristalliseert zich in een groot aantal gedachten welke die idee alle op een verschillende wijze uitdrukken. Ben je een schrijver, of een dichter, of een beeldend kunstenaar, en je brengt de idee nog lager naar beneden, dan kunnen allerlei uitdrukkingswijzen van een grote verscheidenheid bij je opkomen, allemaal voortspruitend uit één idee maar die van heel hoog komt. Weet je hoe je dat moet doen, dan leer je onderscheid te maken tussen de idee in haar zuiverheid en haar uitdrukkingswijze.

> Er is wat het mentale betreft iets wat heel moeilijk maar naar mijn mening ook heel belangrijk is: je moet je mentale nooit toestaan over dingen en mensen te oordelen.

> Men kan op een bepaalde wijze denken, op een bepaalde wijze oordelen of de dingen zien, maar men is nooit zeker van iets en men zal ook nooit van iets zeker zijn. Men kan altijd blijven zeggen: ‘Het is misschien zo’ of: ‘Het is misschien anders’, tot in het oneindige, omdat het mentale geen kennisinstrument is.

> Boven de gedachten bestaan de zuivere ideeën; de gedachten dienen om de zuivere ideeën uit te drukken. En de kennis bevindt zich even ver boven het domein van de zuivere ideeën als deze zich boven het denken bevinden. Je moet dus van het denken weten op te klimmen tot de zuivere idee, die op haar beurt een uitdrukkingswijze van de kennis is. De kennis kan alleen maar door een totale vereenzelviging worden verkregen. Als je dus van je kleine menselijke mentale uitgaat, het mentale van het fysieke bewustzijn dat steeds door blijft malen, dat in zijn belachelijk superioriteitsgevoel alles vanuit de hoogte beziet en beoordeelt, dat zegt dat iets verkeerd is en hoe het anders zou moeten zijn, dan ben je zonder mankeren zeker je te vergissen. Het beste is te zwijgen, de dingen goed te bekijken, en alles in jezelf te registreren en daar te bewaren zonder er een oordeel over te vormen. Ben je in staat dat alles rustig in jezelf te bewaren zonder de minste opwinding, en het rustig aan het hoogste deel van je bewustzijn voor te leggen terwijl je ondertussen oplettend stil probeert te blijven en af te wachten, dan zal misschien na verloop van tijd, als van heel ver en heel hoog, iets als een licht verschijnen, en je zult dan wat meer waarheid kennen. Maar zolang je je gedachten door elkaar blijft haspelen en ze slechts bij stukjes en beetjes tot uitdrukking brengt, zul je nooit iets weten. Ik zal het honderd keren herhalen als het nodig mocht blijken: zolang jullie daar niet van overtuigd zijn, zullen jullie nooit aan je onwetendheid kunnen ontsnappen.

Note: De eerste zinnen van deze paragraaf geven de vergelijking met de Hylozoïca mooi weer waar 'de gedachten' gelijk zijn aan het mentale, 'de zuivere ideeën' gelijk aan het Causale en 'de kennis' (wss) gelijk aan de Essentiële wereld.

> Zie je, wanneer je slaapt zijn je innerlijke wezensdelen niet in je lichaam samengebald; ze verlaten het en gedragen zich min of meer onafhankelijk (wel op beperkte wijze, maar toch onafhankelijk). Ze brengen die tijd in hun eigen domein door.

> Zelfs om een vitale te hebben met een vorm gelijkend op die van je fysieke lichaam, moet je sterk geïndividualiseerd zijn, sterk gecentraliseerd. Dat geldt nog meer voor het mentale wezen.

> Er wordt gezegd dat de allerhoogste zich in het eerste begin van zichzelf bewust geworden is – wat zou betekenen dat hij zich tevoren niet van zichzelf bewust was, dat hij zich toen in een toestand bevond die men niet ‘bewust’ kan noemen! – dat zijn eerste uiting er dus in bestond zich van zichzelf bewust te worden, en dat, toen hij zich eenmaal van zichzelf bewust geworden was, hij zijn bewustzijn naar buiten heeft geprojecteerd, waardoor de schepping is ontstaan. Het is tenminste wat de oude traditie zegt.

> Men kan bijgevolg met zekerheid zeggen dat het bewustzijn de oorsprong van alle schepping is.

> Wat wij nu bewustzijn noemen is niet meer dan een ver contact, vaag en onbepaald, met het opperste bewustzijn. Het is, als je wilt, de afspiegeling van het originele bewustzijn in een niet al te exact gevormde, niet al te zuivere spiegel.

Het bovenmentale

> Maar tussen [het mentale en het supramentale] heeft Sri Aurobindo een wereld onderscheiden die hij ‘het bovenmentale’ heeft genoemd, de wereld van de kosmische goden.

note: mss is het mentale hier hetzelfde wat het mentale + het causale is bij Laurency (wereld 47) en is het bovenmentale dan het zelfde als de essentiele wereld van Laurency (wereld 46). Dat maakt het supramentale dan hetzelfde als het superessentiele (of manifeste) van Laurency (wereld 45). Mss is het bovenmentale wel het causale en dus het supramentale gelijk aan het essentiele? Al zou ik het Causale nu niet direct 'de wereld van de goden' noemen zoals hier gebeurt. Te onderzoeken.

> Tot nu toe is het het bovenmentale dat onze wereld heeft geregeerd; het is de hoogste top die de mens in zijn verlicht bewustzijn heeft kunnen bereiken. Men heeft dat voor de opperste Godheid genomen, en allen welke die top hebben bereikt, hebben er nooit een ogenblik aan getwijfeld dat ze met de ware Geest in aanraking waren gekomen. Zijn luister is voor het gewoon menselijk bewustzijn zó groot dat het er totaal door gefascineerd wordt en meent de opperste waarheid te hebben gevonden.

> Het is alleen maar het domein van de vormgevers, van de machten en scheppende godheden die sinds de aanvang der tijden door de mens zijn vereerd.

> De kosmische goden leven niet volledig in het waarheidsbewustzijn; ze hebben er slechts een verbinding mee en elk van hen vertegenwoordigt een aspect van zijn glorie.

> Het supramentale is ongetwijfeld ook in de geschiedenis van de wereld actief geweest, maar altijd via het bovenmentale. Alleen de directe neerdaling van het supramentale bewustzijn en de supramentale macht kan het leven helemaal volgens de termen van de Geest herscheppen. Immers, in het bovenmentale is reeds het spel der mogelijkheden aanwezig dat het begin aangeeft van de drievoudige lagere wereld: die van het mentale, de levenskrachten en de materie waarin ons bestaan zich afspeelt.

> Het bovenmentale bezit bijgevolg de macht niet om de mensheid te transformeren en ze een goddelijke natuur te geven, en het kan die macht ook niet bezitten. Het supramentale is daarvoor het enige doelmatige middel. Wat nu precies onze yoga onderscheidt van de voorgaande pogingen om het leven te spiritualiseren is dat wij weten dat de luister van het bovenmentale niet de hoogste werkelijkheid is, maar een tussenschakel tussen het mentale en de ware Godheid. (E30- 31, 240-41)

6. De ziel, de psyche, het psychische wezen

> De psychische wereld is het deel van de manifestatie dat zich – althans het psychische wezen – rechtstreeks onder de invloed van het goddelijk bewustzijn bevindt. De vijandige krachten kunnen er niet in het minst vat op hebben.

> Het [psychische wezen] is de behuizing van het goddelijke bewustzijn, van het goddelijk Ik in het individuele [menselijk] wezen.

> De meeste mensen zijn zich niet bewust van de psyche in hen; de yogische inspanning bestaat erin jezelf ervan bewust te maken, zodat het transformatieproces, in plaats van een langzame arbeid van eeuwen, kan worden samengebald in één leven of zelfs in enkele jaren.

> Het psychische wezen is wat na de dood blijft voortbestaan omdat het het onsterfelijke ik is; het is dat psychische wezen dat de drager van het bewustzijn is in leven na leven.

note: psychische wezen = causale omhulsel van Laurency, vermoed ik.

> In het psychische wezen weet je dat je individualiteit jouw eigen uitdrukkingswijze is, maar je weet ook dat die uitdrukkingswijze slechts een objectivering van het éne universele bewustzijn is.

> Voor het psychische wezen is de scheiding waardoor de dualiteit zo scherp tot uiting komt alleen maar schijn, een begoocheling en niets méér. (E29, 74-75)

> In het gewone leven is er nog geen één persoon op een miljoen die een bewuste relatie met zijn psychische wezen heeft, zelfs geen kortstondige. Het is wel mogelijk dat het psychische wezen van binnenuit werkt, maar dan voor het uiterlijk wezen zo onzichtbaar en zo onbewust dat het is alsof het niet bestond.

> Het is slechts door sadhana [spirituele discipline] en een tot het uiterste doorgedreven inspanning dat men ertoe komt een bewuste relatie met zijn psychische wezen te hebben.

> Voor bijna alle mensen is er een zeer, zéér volhardende inspanning nodig om zich bewust te worden van hun psychische wezen. Over het algemeen wordt aangenomen dat men zich gelukkig mag achten als men daar slechts dertig jaar over doet – dertig jaar van ononderbroken inspanning wel te verstaan. Het is mogelijk dat het vlugger gaat, maar dat is zo zeldzaam

> Het psychische wezen is een formatie eigen aan de aarde. Alleen de mensen hebben een psychisch wezen, dat zich op de aarde en door het leven op de aarde heeft ontwikkeld, en dat een projectie van het goddelijk bewustzijn in de materie is om deze uit haar inertie te wekken, zodat ze weer naar de Godheid zal kunnen terugkeren.

> Het ware ik bevindt zich in sommige gevallen in het psychische wezen, anders gezegd het is ‘gehuisvest’ in het psychische wezen, maar lang niet altijd.

note: ware ik = monade? en psychisch wezen = causaal omhulsel

> Er is altijd een goddelijke tegenwoordigheid in het psychische wezen; dat is echter de goddelijke tegenwoordigheid die aan de oorsprong van de formatie van de psyche aanwezig was; het is een veruiterlijking van het goddelijk bewustzijn. Het ware ik daarentegen is geen aardse formatie, het gaat aan de aardse formatie vooraf. (E55, 120)

> We hebben gezegd dat ‘het centrale wezen’ en ‘het psychische wezen’ één en hetzelfde zijn, maar het deel ervan dat de Godheid is en in de Godheid blijft, is en blijft in de Godheid.

> De psyche is de afvaardiging van de Godheid in het leven op aarde, voor de groei van de aarde.

> Het is het psychische wezen dat die afwisselende fasen van ervaring en assimilatie doormaakt. Het jivatman echter is in de Godheid en blijft in de Godheid zonder te veranderen; het maakt geen ontwikkeling door. Het is in de Godheid, is vereenzelvigd met de Godheid en blijft vereenzelvigd met de Godheid zonder zich ervan af te scheiden. Voor het jivatman maakt het geen verschil of het al dan niet een lichaam heeft.

note: de eerste zin doet vermoeden dat het psychische wezen eerder gelijk lijkt aan de (3) triade(s) ipv het causale. Te onderzoeken.

> [De psychische aanwezigheid] is iets wat eigen is aan de mens, of liever aan de bewoners van de aarde. In het menselijk wezen wordt de psyche bewuster, geformeerder [dan in de lagere soorten] – en ook onafhankelijker. In het menselijk wezen is ze geïndividualiseerd. Dat is eigen aan de aarde. Het is een directe en verlossende inbreng in de meest onbewuste en duistere materie opdat ze opnieuw, in opeenvolgende stadia, tot het goddelijk bewustzijn zou kunnen ontwaken, tot de goddelijke tegenwoordigheid en tenslotte tot de Godheid zelf. Het is de aanwezigheid van de psyche die de mens tot een uitzonderlijk wezen maakt.

> Toch is dat een feit, zozeer dat er wezens zijn uit andere domeinen van het heelal (door sommigen halfgoden en zelfs goden genoemd, bijvoorbeeld wezens uit wat Sri Aurobindo ‘het bovenmentale’ noemt) die er erg op gebrand zijn een menselijk lichaam op aarde aan te nemen om de hun ontbrekende ervaring van het psychische wezen te hebben. Die wezens bezitten heel wat eigenschappen die mensen niet bezitten, maar hun ontbreekt de goddelijke tegenwoordigheid; die is uitzonderlijk en iets wat op de aarde bestaat en nergens anders.

> Al die bewoners van de hogere werelden – van het hoger mentale, het bovenmentale en de andere werelden – hebben geen psychisch wezen. De wezens uit het vitale hebben er natuurlijk ook geen, maar die betreuren dat niet. Ze willen er geen.

note: deze eerste zin kan ik niet verklaren met de gelijkenis met het causale of de triade(s). Vermoedelijk bedoelt ze dat deze hogere wezens geen Causaal omhulsel (meer) hebben omdat deze leeg is (na deze fase van mens zijn) en vervangen door een Essentieel (of hoger) omhulsel.

> Want het is iets wat hen bindt aan wetten waar ze niets van moeten hebben.

> Het bevindt zich in een vierde dimensie, een innerlijke dimensie. Maar het is zo ongeveer op de plaats van het hart, ergens achter de zonnevlecht.

> Je moet erom denken dat de innerlijke wezens zich niet in de drie [vertrouwde] dimensies bevinden.

> Dan kun je inderdaad zeggen dat de goddelijke vonk zich in het centrum van elk atoom bevindt, en je bent dan niet ver van de waarheid.

> Het psychische wezen is een entiteit met een vorm; het is opgebouwd rondom een centraal bewustzijn, en omdat het een vorm heeft, heeft het ook een dimensie, maar een andere dimensie dan de drie dimensies waar ons uiterlijk bewustzijn mee vertrouwd is.

> Het psychische wezen is opgebouwd omheen de goddelijke vonk.

> Ga je helemaal tot de oorsprong terug, dan kun je natuurlijk zeggen dat er maar één ziel is, want de oorsprong van alle zielen is dezelfde – zoals de oorsprong van het hele heelal dezelfde is, zoals de oorsprong van de hele schepping dezelfde is. Het psychische wezen, daarentegen, is een individueel, persoonlijk wezen, met zijn eigen geschiedenis, zijn eigen ontwikkeling, zijn eigen groei, zijn eigen opbouw – maar deze opbouw is het gevolg van de uitstraling van een centrale goddelijke vonk.

> Men kan het zo stellen dat er een ‘mogelijkheid’ van psychisch bewustzijn in de materie aanwezig is. De verbreiding van het goddelijk bewustzijn had geen ander doel dan een ordening onder de directe invloed van de Godheid mogelijk te maken.

> Er moet nog aan toegevoegd worden dat het psychische wezen, wanneer het zijn volledige gestalte heeft verkregen, een vorm heeft welke een gelijkenis vertoont met de fysieke vorm van de persoon in kwestie. Het is niet helemaal dezelfde, maar het heeft een vaste vorm.

> Je moet de psyche vooral niet verwarren met de emoties. ... Dat heeft niets met de psyche te maken, het is louter vitaal – het is misschien het meest subtiele deel van het vitale, maar het is vitaal.

> Het is niet door de emoties dat je in aanraking komt met de psyche, maar door zeer intense aspiratie en zelfverloochening. (E55, 287).

> Het is eigenlijk pas wanneer je van je ziel bewust geworden bent, wanneer je met je psychische wezen vereenzelvigd bent, dat je in één oogopslag het beeld van je persoonlijke ontwikkeling door de voorbije eeuwen heen kunt overzien. Dan begin je te weten, niet eerder.

Note: Deze verklaring blijkt dan weer de bevestiging dat het psychisch wezen wel degelijk gelijk gesteld kan worden met het Causale omhulsel want deze heeft dezelfde definitie als deze.

> Pas als je die duidelijke kijk hebt begin je de dingen te zien zoals ze zijn, niet eerder.

> Tot zolang leef je als in een nevel, op de tast, onder de last van een noodlot dat je soms verplettert, dat je het gevoel geeft op een bepaalde manier gemaakt te zijn en daar niets aan te kunnen verhelpen. Je gaat gebukt onder het gewicht van een bestaan dat je neerdrukt, dat je over de grond doet kruipen in plaats dat je hoog kunt opvliegen.

> Het psychische wezen kun je alleen op aarde tegenkomen; de rest van het heelal is op een totaal verschillende wijze gevormd.

> Alle domeinen boven het mentale zijn van spirituele orde.

> De wezens van het bovenmentale, bijvoorbeeld, en alle wezens uit de hogere regionen hebben geen psychisch wezen. ‘Engelen’ hebben geen psychisch wezen. Het is slechts op aarde dat het psychische leven begint, en het is door dat procédé dat de Godheid het materiële leven gewekt heeft tot de noodzaak om tot zijn goddelijke oorsprong terug te keren. Zonder het psychische element zou de materie nooit uit haar onbewustheid gewekt zijn geweest, ze zou nooit terugverlangd hebben naar het leven van haar oorsprong of naar het spirituele leven. Het psychische wezen in de mens is bijgevolg de manifestatie van de spirituele aspiratie. Er bestaat echter wel een spiritueel leven onafhankelijk van het psychische.

Note: als ik Engelen mag gelijkstellen met wezens van wereld 46 of hoger (zoals Augoeides), hebben die idd geen psychisch wezen (= Causaal omhulsel) omdat ze deze niet meer nodig hebben.

> Kom je in contact met het psychische wezen, dan ben je je bewust van alle levens die je geleefd hebt. Het behoudt de herinnering aan alle gebeurtenissen waar het bij betrokken is geweest, maar niet van de hele levens.

> Men weet dat niet omdat men er zich niet van bewust is, maar het is over het algemeen de psyche die het leven bestuurt.

> Er doen zich in de psyche twee zeer verschillende lijnen van ontwikkeling voor. De ene heeft te maken met haar vorming, groei en ordening. Het psychische wezen begint immers als een kleine goddelijke vonk binnenin, en uit die vonk groeit dan gaandeweg een bewust, onafhankelijk wezen met een eigen werking en wil.

> Het is aanvankelijk geen volledig geïndividualiseerd en bewust wezen dat zichzelf meester is. Het heeft al die opeenvolgende incarnaties nodig om zichzelf op te bouwen en zich helemaal van zichzelf bewust te worden.

> Aan dat soort ontwikkeling komt echter eenmaal een eind. Er komt een ogenblik dat het psychische wezen volledig is opgebouwd, volledig geïndividualiseerd, en dat het helemaal meester is van zichzelf en van zijn lotsbestemming.

> Wat de ontwikkeling van zijn psychische wezen betreft, is zijn groei beëindigd, hetgeen betekent dat het voor hem niet langer onontbeerlijk is in een lichaam herboren te worden. Tot zolang was zijn wedergeboorte verplicht, omdat het door de wedergeboorte is dat het psychische wezen ontwikkeld wordt.

Note: Deze uitleg stemt overeen met de leer van Hylozoïca die beweert dat de mens zijn Causaal omhulsel van Augoeides (beschermengel) heeft gekregen, die aanvankelijk leeg is, en dat de mens deze moet opvullen doorheen zijn incarnaties.

> Zolang het [volgroeid] psychische wezen in de wereld wil blijven, zolang het verkiest voor de Godheid te werken, zal het zich voort blijven ontwikkelen.

> Zoals ik jullie gezegd heb, is de ontwikkeling van het psychische wezen alleen maar op aarde mogelijk, in de fysieke wereld, en nergens anders. In de psychische wereld onderga je een soort gelukzalige rust waarin je blijft wat je bent zonder nog te veranderen.

> Het psychische wezen zelf ontwikkelt zich in hen, ook al zijn zij er zich niet van bewust. Ze worden tot ontwikkeling gedwongen. Ze volgen een curve, ze volgen een opgaande lijn in het leven.

> Het is slechts in het zuiver spirituele leven – in het leven buiten alle vormen van fysiek en aards bestaan, met inbegrip van het mentale – dat er geen ontwikkeling is. Men heeft dan een statische toestand bereikt, buiten alle ontwikkelingsbewegingen. Men bevindt zich dan echter ook buiten de manifestatie.

> Het psychische wezen kan volmaakt zijn en het uiterlijk wezen idioot. Je mag de twee niet verwarren. Meestentijds hebben ze jammer genoeg niets met elkaar te maken. Het uiterlijk wezen is zich gewoonlijk geenszins van het psychische wezen bewust; het is slechts in de mate dat het zich ervan bewust is, dat het ook de volmaaktheid ervan weerspiegelt.

> De ontwikkeling van het psychische wezen heeft een tweevoudig gevolg, waarbij het een het ander aanvult. Samen met de ontwikkeling van het psychische wezen groeit de gevoeligheid aan, en met een aangroeiende gevoeligheid gaat de groei van het vermogen om te lijden gepaard. Daar weegt echter iets tegenop, en dat is dat naarmate de relatie met het psychische wezen intenser wordt, men de levensomstandigheden helemaal anders tegemoet treedt, met iets als een innerlijke vrijheid; daardoor kan men dan van de gebeurtenissen afstand nemen en de schok ervan niet op de gewone manier ondergaan. Men kan de moeilijkheden of de uiterlijke gebeurtenissen tegemoet treden in kalmte, vrede en met voldoende innerlijke kennis om er niet door overstuur te raken. Enerzijds is men dus gevoeliger, anderzijds sterker om die grotere gevoeligheid te kunnen verwerken. (E55, 22-23)

> Neemt men de opgaande beweging van de evolutie in beschouwing, dan is het juister te spreken over een psychische aanwezigheid dan over een psychisch wezen. Het is immers de psychische aanwezigheid die door een graduele ontwikkeling het psychische wezen wordt. Die psychische aanwezigheid is er in elke evolutionaire vorm, maar niet geïndividualiseerd. Ze groeit geleidelijk en volgt de ontwikkeling van de evolutie. Ze is niet het resultaat van een neerdaling of involutie van bovenaf. Die aanwezigheid neemt progressief vorm aan rondom de vonk van het goddelijk bewustzijn, bestemd om de kern uit te maken van het groeiende wezen. Is dit groeiende wezen uiteindelijk geïndividualiseerd, dan is de psychische aanwezigheid het psychische wezen geworden. De psychische aanwezigheid is die vonk die eeuwig is en die om zich heen allerlei elementen verzamelt om de individualiteit van het psychische wezen op te bouwen; dit is pas volledig gevormd wanneer de psychische persoonlijkheid helemaal ontwikkeld is, helemaal opgebouwd rondom de eeuwige goddelijke vonk. Het psychische wezen bereikt zijn volledigheid, zijn algehele volheid pas wanneer het zich met een wezen of een persoonlijkheid uit hogere werelden verenigt.

> Lager dan het menselijk niveau heeft in het algemeen geen of bijna geen individuele psychische vorming plaats: er is alleen maar die in meerdere of mindere mate uitgesproken psychische aanwezigheid. Toen echter, door de evolutie van de materiële belichamingen rondom de vonk van het goddelijk bewustzijn, de mensheid op aarde verscheen, hebben zekere menselijke organismen zich in de loop van hun progressieve groei voldoende geperfectioneerd om zich, dankzij hun openheid en hun ontvankelijkheid, te kunnen verenigen met bepaalde wezens die uit hogere werelden waren neergedaald. Aldus werd een goddelijke mensheid gevormd die men een eliteras zou kunnen noemen.

> Waren ze onder elkaar gebleven, dan zouden die mensen een uniek en supermenselijk ras zijn blijven vormen. Het is bekend dat heel wat rassen op iets dergelijks aanspraak hebben gemaakt. Zowel de Ariërs als de Semieten en de Japanners, onder andere, hebben zich als het uitverkoren ras beschouwd. In feite heeft zich een algemene nivellering van de mensheid voorgedaan, een ver doorgedreven vermenging. Want dat hogere ras ondervond de noodzaak om zich voort te planten en werd ertoe gedreven zich met de rest van de mensheid te vermengen, met de dierlijke mensheid wel te verstaan. Het is dus ontaard en die ontaarding is geëindigd met een gebeurtenis waar de heilige geschriften in de hele wereld het over hebben: de grote val van de mens, de verdrijving uit het paradijs, het einde van het Gouden Tijdperk.

> Dat bracht vanzelfsprekend een verlies van bewustzijn met zich mee maar niet van materiële kracht, want de gewone mensheid heeft er enorm bij gewonnen. Er zijn natuurlijk sommige [hogere] wezens geweest die vierkant geweigerd hebben zich [met de dierlijke mensheid] te vermengen en die zich door het verlies van hun superioriteit erg gekrenkt hebben gevoeld.

> Tegenwoordig kan men zeggen dat geen enkel deel van de mensheid nog zuiver dierlijk is; alle rassen werden door de neerdaling uit de hogere werelden beïnvloed en de resultaten van die involutie werden meer en meer verbreid door een diepgaande vermenging.

> In zijn geheel genomen begint de psyche, in de ware zin van het woord, echter op het menselijk niveau.

De vreugde te bestaan

> Wanneer je daarvoor klaar begint te zijn, komt er een ogenblik dat je in elk ding, in elk voorwerp, in elke levensuiting, in elke vibratie, in alles om je heen die vreugde kunt voelen.

> Zolang je nog begeerten hebt, of voorkeuren, of emotionele banden, of neigingen, of afkeer, en zo meer, kan dat niet; dan is het niet mogelijk. Zolang je nog plezier ondervindt, vitaal of fysiek plezier in iets, kun je die vreugde niet voelen. Want ze is anders overal aanwezig. Die vreugde is heel erg subtiel.

> Ik moet bekennen dat ze moeilijker in de mensen aan te voelen is, omdat zij al die mentale en vitale formaties hebben die hun waarnemingsveld binnenstromen en het verstoren.

> En zoals ik net zei, is er een bewustzijnstoestand waarin alle vertrouwde dingen, de dingen om je heen die je gebruikt, die vreugde hebben te bestaan, mogen zijn wat ze zijn.

> Zoals ik al zei, wordt de ervaring van die vreugde jammer genoeg voortdurend verstoord door de mensen, de menselijke levensomstandigheden en wat al niet meer, met al die mentale en vitale formaties. Je wordt dan gedwongen terug te keren tot die zo onwetende, zo blinde perceptie van de dingen. Zodra dit echter ophoudt en je eruit kunt ontsnappen, verandert alles. Zoals [Sri Aurobindo] het daar zegt: alles verandert. Alles wordt een wonderlijke harmonie … en alles is de vreugde, de ware vreugde, de waarachtige vreugde. (E57-58, 25-27)

De liefde

> De liefde is universeel en eeuwig. Ze manifesteert zich altijd en blijft altijd aan haar essentie gelijk. Ze is een goddelijke kracht; de vervormingen die wij zien in de uitdrukking ervan zijn te wijten aan haar instrumenten. Ze manifesteert zich niet alleen in de mensen, ze is overal aanwezig.

> Alle vervormingen van die grote goddelijke macht zijn veroorzaakt door de duisternis, de onwetendheid en het egoïsme in haar zozeer beperkte instrumenten.

> De liefde, die eeuwige kracht, heeft geen verlangens, geen begeerten, geen drang naar bezit of naar persoonlijke banden; in haar zuivere uitingen is ze het zoeken naar de eenheid van het ik met de Godheid, hetgeen een absoluut zoeken is dat zich om niets anders bekommert. De goddelijke liefde geeft zich en vraagt niets in ruil.

> Om de goddelijke liefde te manifesteren moet men eerst in staat zijn haar te ontvangen.

> Wie niet voor de liefde in haar essentie en waarheid openstaat, kan de Godheid niet benaderen. Zelfs degenen die haar zoeken langs de weg van de kennis bereiken een punt waaraan voorbij, als ze verder willen gaan, ze tegelijk ook de liefde moeten verwezenlijken en beide als één voelen: de kennis die het licht van de goddelijke vereniging is en de liefde die de ziel van de kennis is. Er komt een punt in de ontwikkeling van het wezen waar beide elkaar ontmoeten en waar de een niet langer van de ander te onderscheiden is. De verdeling, het onderscheid dat men tussen beide maakt, is het werk van het gewone menselijke mentale bewustzijn. Zodra men een hoger niveau bereikt, verdwijnt dat.

> Wanneer de mens het over liefde heeft, associeert hij haar met zwakheid van de emoties en van de sentimenten. De goddelijke intensiteit van de zelfnegatie, het vermogen om zich geheel te geven zonder voorbehoud of beperkingen, zonder iets in ruil te vragen, is de mensen onbekend.

> Als je eenmaal in contact bent gekomen met die zuivere, grenzeloze en ware goddelijke liefde, ook al was het maar heel even en in haar minste gedaante, zal je beseffen wat voor verwerpelijk iets de begeerte van de mens ervan gemaakt heeft.

> De liefde is een opperste kracht, die door het eeuwig bewustzijn is veruiterlijkt en uitgestuurd in een inerte en duistere wereld, om die wereld en haar wezens weer tot de Godheid terug te brengen.

> Deze wereld was er een van dode materie, totdat de goddelijke liefde erin is afgedaald en ze tot leven heeft gewekt. Sindsdien is de wereld op zoek getogen naar die goddelijke bron van het leven, maar op haar zoektocht heeft ze alle mogelijke verkeerde wegen genomen. Ze is verdwaald en in de nacht verkeerde richtingen uitgegaan. Veruit het grootste deel van deze schepping is over de weg blijven voorstrompelen als een blinde die het onbekende zoekt, zonder te weten wat hij zoekt.

> De ziel als jivatman is een eeuwig deel of aspect van de Godheid in zijn eeuwigheid. De Godheid heeft zich in zijn manifestatie of schepping geprojecteerd door middel van de jivatmans die Hemzelf zijn. De projectie van een jivatman in de manifestatie heet dan antaratman; het is ‘de goddelijke vonk’ in alle dingen. Omdat deze manifestatie of schepping een evolutionaire is, concentreert de evolutie zich om die goddelijke kernen, zonder welke niets dat gemanifesteerd is zou kunnen bestaan. Aldus vormt zich rond die kernen, rond de antaratmans, geleidelijk aan een subtiel maar zeer concreet lichaam, door Sri Aurobindo en de Moeder ‘het psychische wezen’ genoemd. Dit psychische wezen is als het ware de belichaming in de manifestatie van de goddelijke luister van het jivatman, dat zijn eeuwige basis in de ongemanifesteerde Godheid vormt. In feite is dit alles een individualisering van het goddelijk scheppingsproces, waardoor de Godheid zichzelf heeft veruiterlijkt om Zich te schouwen – of hoe men dat ook wil uitdrukken.

note: hier blijkt weer dat het psychisch wezen hetzelfde is als het causale omhulsel en dat deze antaratman hetzelfde is als de monade

> Bepaalde delen van het vitale zijn werelden van wanorde en de wezens die het vitale bewonen hebben geen psychisch wezen. Een psychisch wezen is er alleen maar op aarde, in de fysieke wereld. Het is daarom dat ik beknopt gezegd heb dat de goddelijke vonk die het psychische wezen opbouwt boven (of doorheen) de werelden van wanorde is uitgestegen, en dat ze zich rechtstreeks in de fysieke wereld heeft gemanifesteerd om er die mogelijkheid van een opbouw rondom de goddelijke vonk te scheppen.

7. De vijandige krachten

> De wereld zoals ze tegenwoordig is, bevindt zich voor het grootste deel onder invloed van de vijandige krachten. Deze worden ‘vijandig’ genoemd omdat ze niets moeten hebben van het goddelijk leven; ze zijn het goddelijk leven vijandig gezind. Ze willen dat de dingen blijven zoals ze zijn, omdat die hun domein en hun macht in de wereld uitmaken.

> Ik heb jullie echter onlangs nog gezegd dat de atmosfeer vol is van ontelbare formaties die over het algemeen bestaan uit gedachten, begeerten, aandriften of wilsuitingen, en die even talrijk door elkaar krioelen als de gedachten van de mensen. Sommige daarvan zijn goedaardig, andere zijn kwaadaardig. En daarachter zijn er de formaties uit de vitale wereld, een wereld die de Godheid essentieel vijandig gezind is. Het is alleen het vitale in de mens dat, onder de invloed van het psychische wezen, kan veranderen en een medewerker aan het goddelijke werk worden.

> Voor het overige is de vitale wereld essentieel gevormd uit wezens die vijandig staan tegenover het goddelijke werk.

> Het zijn geen krachten die de mensen en hun rust en geluk vijandig gezind zijn: ze staan vijandig tegenover het goddelijk werk.

> Er is niets, niet eens het meest vijandige, dat niet voor het goddelijke werk gebruikt kan worden.

> Want er zijn [onzichtbare vijandige] toeschouwers met een ontzettend eng karakter overal om je heen, en die vinden dat geweldig amusant.

> Zelfs in de meest duistere en ontaarde wezens, zelfs van degenen van wie het de bewuste wil is tegen de Godheid te vechten, is niettemin in weerwil van henzelf de oorsprong goddelijk.

> De Godheid, de werking van de Godheid in de wereld, stelt altijd een limiet aan de buitensporigheden van het kwaad en verleent tegelijk een onbeperkte macht aan het goede.

> Ze kunnen de schijnbare gestalte van goddelijke of hogere wezens aannemen, ze kunnen verschijnen in een verblindend licht.

> Het wezen dat Hitler voor de allerhoogste nam was gewoon een asura, degene die in het occultisme de ‘Heer van de Leugen’ wordt genoemd en die zichzelf tot ‘Heer van de Naties’ heeft uitgeroepen.

> Ik moet eraan toevoegen dat de wezens uit de vitale wereld onsterfelijk zijn. Ze kunnen niet sterven, maar ze kunnen vernietigd worden. Het is echter alleen een zuivere spirituele kracht die ze kan vernietigen.

> Bevecht men een vitaal wezen in de vitale wereld, dan kan men het verpletteren of doden, maar het wordt altijd weer herboren. Ze staan altijd weer op.

> Er is maar één kracht ter wereld die ze definitief kan vernietigen, zonder hoop op een heropleving, en dat is een kracht van de hoogste scheppende macht. Het is een kracht afkomstig van voorbij de supramentale wereld.

> Dat soort wezens is niet aan één fysiek lichaam gebonden.

> Jullie moeten weten dat de origine van die wezens aan die van de goden vooraf is gegaan; zij zijn les premiers émanés, de eerste individuele wezens van het heelal, dus kun je niet zomaar van hen af komen door een oorlog te winnen.

> Zolang ze voor de universele evolutie nodig zijn, zullen ze blijven bestaan.

> Ze weten trouwens dat hun laatste uur nadert en het is daarom dat ze zoveel schade aanrichten als ze maar kunnen.

> [De eerste asura’s] waren met zijn vieren. De eerste heeft zich bekeerd, de tweede heeft zich weer in zijn oorsprong opgelost. Twee zijn nog in leven, en deze twee zijn hardnekkiger dan de andere. De een, zoals ik daarnet zei, is in het occultisme bekend als ‘de Heer van de Leugen’, de ander is ‘de Heer van de Dood’ . En zolang die twee bestaan, zal het moeilijk blijven. (E50-51, 206-10)

> Het zijn incarnaties van wezens uit een wereld palend aan de fysieke, van wezens uit een bestaansgradatie die wij de vitale wereld noemen. Het is de wereld van de begeerten, aandriften en hartstochten, de wereld van het geweld, de hebzucht en het bedrog, en van allerlei soorten onwetendheid; toch is het ook daar dat zich alle dynamismen bevinden, alle levensenergieën en heel wat nuttige vermogens.

> Er zijn er andere die veel gevaarlijker zijn en die nog nooit een menselijke vorm hebben aangenomen; ze zijn nooit in een menselijk lichaam op aarde geboren geweest. Ze weigeren meestal geboren te worden in een vorm die hen tot slaaf van de materie maakt en verkiezen in hun eigen wereld te blijven, machtig en gevaarlijk, en van daaruit hun heerschappij over de aardse wezens uit te oefenen. Ook al aanvaarden ze niet op aarde geboren te worden, toch willen ze een contact hebben met de fysieke natuur, maar zonder erdoor aan banden te worden gelegd.

> Hun methode bestaat erin eerst te proberen invloed te verkrijgen op een mens. Daarna dringen ze langzaam in zijn atmosfeer door, en daar kunnen ze dan na verloop van tijd volledig van hem bezit nemen, nadat ze de ware menselijke ziel en haar persoonlijkheid hebben verjaagd. Wanneer die schepselen aldus van een aards lichaam bezit hebben genomen, hebben ze wel een menselijk voorkomen maar niet de menselijke natuur. Ze hebben de gewoonte de levenskracht van de mensen op te zuigen, ze maken zich meester van de vitale kracht waar ze zich dan mee voeden. Komen ze in je atmosfeer, dan voel je je plotseling gedeprimeerd en uitgeput; verblijf je geruime tijd in hun gezelschap, dan word je ziek; leef je samen met een van hen, dan kan het je dood betekenen.

> De verstandigste manier om met die wezens om te gaan is elke band met ze te verbreken en niets met ze te maken te hebben.

> Wanneer die wezens zich in een menselijk lichaam bevinden, beseffen ze [als mens] maar zelden wie ze werkelijk zijn.

> De wezens uit de vitale wereld zijn van nature machtig; wordt aan die macht ook nog kennis toegevoegd, dan zijn ze dubbel gevaarlijk. Er is met die schepselen niets aan te vangen; men moet er zorgvuldig alle contact mee vermijden.

> Ze zijn tegen de goddelijke wet in opstand gekomen, maar in weerwil van hun opstand, of zelfs daaróm juist, voelen ze zich op een bepaalde manier met de tegenwoordigheid van de Godheid verbonden en worden ze er sterk door aangetrokken.

note: hier herken ik weer hetzelfde verhaal als in het Padwerk.

> De macht over het geld is nu onder invloed of in handen van krachten en wezens uit de vitale wereld. Het is aan die invloed te wijten dat men het geld nooit in grote sommen naar de zaak van de waarheid ziet uitgaan; het wordt altijd in andere banen geleid. Het bevindt zich immers in de klauwen van de vijandige krachten en is een van hun voornaamste middelen om hun heerschappij over de aarde in stand te houden.

> In een menselijk wezen schuilen de goddelijke tegenwoordigheid en het psychische wezen, aanvankelijk alleen maar in de kiem maar tenslotte helemaal gevormd, bewust, onafhankelijk, geïndividualiseerd. Zoiets bestaat niet in de vitale wereld. Het is een speciale genade, die is geschonken aan alle menselijke wezens die in de materie bestaan en op aarde leven. Daarom is er geen enkel menselijk wezen dat zich niet kan bekeren als het dat wil;

> De wezens uit het vitale, daarentegen, hebben geen psychisch wezen, ze hebben niet die directe goddelijke tegenwoordigheid in zich. (Helemaal in het begin zijn ze natuurlijk rechtstreeks uit de Godheid voortgekomen, maar dat was aan de oorsprong, héél lang geleden.) Ze hebben geen direct contact met de Godheid binnenin, ze hebben geen psychisch wezen. Als ze zich bekeerden, zou er niets van hen overblijven, want ze bestaan helemaal uit het tegengestelde [van de Godheid en het psychische wezen]: ze bestaan helemaal uit persoonlijke zelfbevestiging, despotisch gezag, afscheiding van de oorsprong, en uit het grootste misprijzen voor alles wat zuiver, mooi en nobel is.

> Dat zijn dus wezens die slechts zullen verdwijnen wanneer de haat uit de wereld verdwijnt. Men zou het ook kunnen omdraaien en zeggen dat de haat uit de wereld zal verdwijnen wanneer zij verdwijnen.

> Het is dus de mens die het werk zal doen. Hij is het die zal veranderen, hij is het die de aarde zal transformeren. En hij zal de asura verplichten naar andere werelden te vluchten of zich te ontbinden.

> Men zegt dat er zes scheppingen geweest zijn, met andere woorden zes veruiterlijkingen van het heelal, en dat het heelal zesmaal weer in de Godheid is teruggekeerd. Daar is sprake van in de heilige geschriften. Zoiets is vanzelfsprekend een einde, maar geen vervulling. Het heeft zich voorgedaan doordat er iets aan die scheppingen mankeerde, zodat ze weer ingetrokken moesten worden en overgedaan. Men zegt dat onze huidige schepping de zevende is, en omdat het de zevende is, zou het ook de goede zijn, de laatste, die niet meer zal worden ingetrokken, maar die zich altijd voort zal blijven transformeren en steeds meer vervolmaken zodat ze niet meer ingetrokken hoeft te worden.

> Aan de basis van elke schepping zijn er bepaalde attributen [van de Godheid], en men geeft de volgorde van die [gemanifesteerde] attributen […] Deze schepping is gebaseerd op het evenwicht, maar dan een speciaal evenwicht dat progressief is. Het attribuut van deze schepping is geen statisch evenwicht, maar het evenwicht. Het is daarom dat men zegt dat als in de huidige schepping alles zich eenmaal precies op zijn plaats bevindt, in volmaakt evenwicht, er geen kwaad meer zal zijn.

> Ze zijn elkaars ergste vijanden. Het moet gezegd dat dat een zegen is, want als ze op goede voet met elkaar verkeerden, zou het nog veel moeilijker zijn.

> In de mens is het psychische wezen doorgaans sterk genoeg om voldoende weerstand te kunnen bieden, en het meest voorkomende geval is een langdurig conflict tussen de beide wezensdelen [het bezetene en het nog niet bezetene].

> Er zijn wezens uit het vitale (maar dan uit een hogere gradatie van het vitale, veruiterlijkingen van asura’s bijvoorbeeld) die om de een of andere reden besloten hebben dat ze zullen proberen zich te bekeren, niet langer antigoddelijk te zijn en in relatie met de Godheid te treden. Ze weten dat de beste manier daartoe erin bestaat zich met een menselijk lichaam te identificeren om onder de leiding van een psychisch wezen te komen.

> Elke aldus behaalde overwinning door een individu op een vijandige kracht die hem beïnvloedt, is een grote stap vooruit naar het moment dat de aarde helemaal van de aanwezigheid van vijandige krachten bevrijd zal zijn. [Zo’n overwinning] betekent een grote vooruitgang voor de aarde. (E54, 493-96)

> De vaste basis van alle spirituele macht is de gelijkmoedigheid van de ziel. Je moet niet toelaten dat ook maar iets je evenwicht verstoort; door je evenwicht te bewaren, kun je het hoofd bieden aan alle aanvallen.

> Houd jezelf stevig in de hand en stuur een oproep uit in vertrouwen en geloof; is je aspiratie zuiver en standvastig, dan kun je er zeker van zijn dat je de nodige hulp zult ontvangen.

> Aanvallen door de vijandige krachten zijn onvermijdelijk. Je moet ze beschouwen als beproevingen op de weg en die beproevingen moedig doorstaan.

> Het is eveneens waar dat ze er zijn omdat jij hun redenen geeft om er te zijn. Zolang er in jou een respons is, is hun optreden volkomen gerechtvaardigd. Als niets in jou op hen zou reageren, zouden ze helemaal geen greep kunnen uitoefenen op een deel van je natuur; ze zouden zich terugtrekken en je met rust laten. Je moet hun hoe dan ook nooit toelaten je spirituele vooruitgang tot stilstand te brengen of in de weg te staan.

> De enige manier om het gevecht met de vijandige krachten te verliezen is wanneer je geen vertrouwen hebt in de goddelijke hulp. Een oprechte aspiratie trekt altijd de nodige hulp naar zich toe. Een kalme en vurige oproep, de overtuiging dat men de opklimmende weg naar de verwezenlijking nooit alleen gaat, en het geloof dat hulp altijd geboden wordt wanneer je die nodig hebt, brengen je met gemak en zekerheid naar de overwinning.

> Het is in ieder geval het verstandigst de aanvallen die zich voordoen als van buitenaf afkomstig te beschouwen: dit ben ik niet en ik wil er niets mee te maken hebben! Je moet je op dezelfde manier gedragen tegenover alle lagere aandriften en begeerten, tegenover alle twijfels en aarzelingen van het mentale. In de mate waarin je je ermee vereenzelvigt, wordt de moeilijkheid om ze te bevechten des te groter, want je hebt dan het gevoel dat je voor de nooit gemakkelijke taak gesteld wordt je eigen natuur te overwinnen. Zodra je echter kunt zeggen: ‘Dit ben ik niet en ik wil er niets mee te maken hebben’, wordt het veel gemakkelijker om [de vijandige krachten] te verdrijven.

> Wanneer hun aanwezigheid in de wereld geen nut meer zal hebben, zullen ze verdwijnen. Hun actie wordt gebruikt bij wijze van proef opdat niets vergeten zou worden, niets over het hoofd gezien in het werk van transformatie. Die vijandige krachten laten geen enkele fout onopgemerkt. Heb je in je eigen wezen ook maar het geringste detail over het hoofd gezien, dan zullen ze op dat verwaarloosde punt blijven hameren tot de pijn zo groot wordt dat je gedwongen bent het te veranderen. Wanneer ze voor dat werk niet langer nodig zijn, zal hun bestaan overbodig worden en zal er een eind aan worden gemaakt. Het is hun veroorloofd hier te blijven omdat ze onontbeerlijk zijn in het grote werk; zodra ze niet langer onontbeerlijk zijn, zullen ze moeten veranderen of verdwijnen.

> De asura’s zijn de grote vijandige wezens uit het mentale en soms gedeeltelijk ook uit het vitale. De vier grootsten onder hen zijn de premiers émanés of oerasura’s die oorspronkelijk de vier basiselementen van de goddelijke manifestatie vormden, zoals in het tweede hoofdstuk van dit boek is uiteengezet.

8. Ziekte en dood

> Een ziekte is eigenlijk niets anders dan een verstoring van het [innerlijk] evenwicht. Als je een nieuw evenwicht tot stand kunt brengen, zal de verstoring verdwijnen. Een ziekte is gewoon een onevenwichtigheid in het wezen – altijd

> Je moet in de eerste plaats niet ziek willen zijn en daarbij niet bang zijn voor de ziekte. Je moet je niets [van de ziekte] aantrekken en er niet bang voor zijn.

> Je moet een kalme vastberadenheid tonen en een volledig vertrouwen in de macht van de genade die je tegen alles zal beschermen, en dan aan iets anders denken en niet met de ziekte bezig blijven.

> We zijn echter voortdurend, voortdurend aan het vibreren in respons op de vibraties die van buitenaf komen. Als je in staat bent dat waar te nemen, zie je dat er de hele tijd iets is dat antwoordt op de vibraties die van buitenaf komen.

> Je moet je dan sterk concentreren, met een grote wilskracht, met het geloof dat niets je kwaad kan berokkenen, dat niets je kan raken. Dat volstaat om op het beslissende moment de ziekte te kunnen verwerpen. Maar je moet het wel onmiddellijk doen. Je moet geen vijf minuten wachten, het moet meteen gebeuren.

> Het zijn de twijfel, het slechte humeur, het gebrek aan vertrouwen en de egoïstische zelfingekeerdheid die elke vorm van communicatie met het goddelijk licht en de goddelijke energie verbreken, en die de ziekteaanval een kans op welslagen bieden. Het is aan dergelijke gemoedstoestanden en niet aan microben dat je de oorzaak van de ziekten moet toeschrijven.

> Ik zal jullie eens wat zeggen: wat de mensen voor een microbe houden is de materialisatie van een vibratie of een wil uit een andere wereld.

> Ieder moet daarom voor zichzelf uitmaken waarom hij ziek is. In de meeste gevallen is schrik de oorzaak. Het kan een mentale schrik zijn, of een vitale, en het is bijna altijd ook een fysieke schrik, een schrik in de cellen. Het is schrik die de deuren opent voor alle besmettingen. Mentale schrik kan overwonnen worden door allen die enige zelfbeheersing of een gevoel van hun menselijke waardigheid hebben; vitale schrik is van subtiele aard en vereist een grotere zelfcontrole: maar om de fysieke schrik te overwinnen moet je een ware yogi zijn, want de lichaamscellen vrezen alles wat onaangenaam of pijnlijk is, en zodra zich ergens een gezondheidsprobleempje voordoet, hoe onbeduidend ook, worden de cellen ongerust, want ze voelen zich niet graag uit hun gewone doen. Om dat te overwinnen is het meesterschap van een bewuste wil nodig.

De dood

> Allen die [bij de dood] hun lichaam verlaten komen terecht in een domein van het lager vitale dat niet bijzonder aangenaam is.

> Het materieel-vitale valt tenslotte van de overledene af, maar daarna komt het hoger vitale en daar heeft hij andere gevaren te trotseren. En wanneer het hoger vitale van hem afvalt, komt het mentale.

> Achter dat alles bevindt zich echter de psyche en die kan door niets worden geraakt; ze is boven alle aanvallen verheven en vrij om te gaan waar ze wil. In het algemeen gaat ze rusten in de psychische domeinen,

> [In de psychische domeinen] gaat ze dan over in een staat van gelukzalige contemplatie die tegelijk een assimilatie is van al haar ervaringen. Zijn de assimilatie en de rust beëindigd, dan maakt ze zich klaar om neer te dalen voor een nieuw leven.

note: voorgaande alinea's vertellen quasi hetzelfde verhaal as Laurency

> Het is een feit dat de eerste van de twee voornaamste bezigheden van de mens erin bestaat te proberen alle onaangenaamheden te vergeten, en de andere te proberen verstrooiing te vinden om de verveling te verdrijven.

> Jullie kunnen heel wat doen voor de mensen gewoon door in jullie kamer te blijven zitten, misschien meer dan door uiterlijk dingen voor ze te doen. Als je weet hoe je op de juiste manier moet denken, met kracht, intelligentie en goedheid.

> Ik kan het niet genoeg herhalen, dat de mens niet uit één stuk bestaat. We bevatten in ons heel wat wezensdelen en elk daarvan heeft zijn eigen leven. Dat is allemaal samengebracht in één lichaam (zolang je een lichaam hebt), en het werkt door middel van dat ene lichaam; dus heb je de indruk dat dat één persoon is, één wezen. Er zijn er echter een aantal en die zijn alle geconcentreerd in verschillende bestaansgradaties: zoals je een fysiek wezen hebt, heb je ook een vitaal, mentaal en psychisch wezen, en nog heel wat andere, met alle schakels daartussenin.

> Wanneer je je lichaam verlaat, gaan al die wezens uiteen. Slechts als je een zeer geavanceerde yogi bent, in staat om die wezens rond je goddelijk centrum te verenigen, blijven ze met elkaar verbonden. Heb je jezelf niet één kunnen maken, dan worden al je wezensdelen op het ogenblik van de dood stuk voor stuk verspreid. Elk gaat weer naar zijn eigen domein terug.

> Er is wel een ‘geest van de lichaamsvorm’ . Je lichaamsvorm heeft een geest die tot zeven dagen na de dood blijft voortbestaan. De artsen hebben je dood verklaard, maar de geest van je lichaamsvorm leeft nog, en hij leeft niet alleen maar is ook in de meeste gevallen bewust. Dat duurt zeven tot acht dagen en dan wordt ook hij ontbonden.

Note: zouden ze hiermee het etherisch omhulsel bedoelen?

> We komen altijd tot dezelfde conclusie: wat voor een individu het belangrijkst is, is zichzelf één te maken rondom zijn goddelijke kern; daardoor wordt hij een waar individu en meester over zichzelf en zijn lot. Anders is hij het voorwerp van krachten die met hem spelen als de golven met een kurk.

9. Reïncarnatie of wedergeboorte

> Zelfs wat de levens als mens betreft, is het pas wanneer de psyche naar voren komt dat ze daarvan nauwkeurige herinneringen kan opdoen en bewaren, maar beslist niet van alle details in ieder leven, tenzij ze zich continu op de voorgrond heeft bevonden en een ononderbroken band met het uiterlijk wezen heeft gehad.

> Zolang dat niet is gebeurd, heeft het geen zin te spreken over vorige levens van zijn eigen zelf en over gebeurtenissen die in die levens hebben plaatsgehad.

> Wanneer het psychische wezen een bepaalde bewustzijnsontwikkeling heeft bereikt, beslist het zelf, doorgaans in de laatste momenten van een leven op aarde, over de omstandigheden waarin zijn volgende incarnatie zich zal afspelen.

> Nadat het zijn lichaam verlaten heeft, gaat het over in een rusttoestand waarvan de duur afhankelijk is van zijn eigen keuze en ontwikkelingsgraad; dat is een toestand van assimilatie, van passieve ontwikkeling zou je kunnen zeggen.

> Omdat het al een aantal ervaringen achter de rug heeft, weet het welk deel van zijn bewustzijn zich in welk land ontwikkeld heeft, en het kiest de plaats die hem de nodige nieuwe mogelijkheden tot ontwikkeling zal bieden – het land, de levensomstandigheden, bij benadering de persoonlijkheid van de ouders en ook de conditie van het [aan te nemen] lichaam zelf, zijn fysieke bouw en de hoedanigheden die het voor de toekomstige ervaringen behoeft.

> Gaat alles goed op het ogenblik dat het kind geboren wordt, dan duikt de psychische kracht (misschien niet in haar geheel, maar een deel van het psychische bewustzijn) in dat menselijk wezen en leidt het vanaf zijn eerste kreet naar de ervaringen die het moet doormaken.

> Het is pas wanneer men zich van zijn psychische wezen bewust wordt dat men tevens de juiste indrukken overhoudt van wat zich in vroegere levens heeft afgespeeld.

> Hoe meer de psyche geëvolueerd is, hoe dichter ze haar volledige rijpheid benadert, des te meer tijd is er tussen de geboorten. Er zijn [psychische] wezens die pas na duizend of tweeduizend jaar reïncarneren. Hoe dichter men zich nog in het begin van de [psychische] vorming bevindt, des te vlugger de reïncarnaties elkaar opvolgen. In het allereerste begin, nog dichtbij het dier, gebeurt dit bijna onmiddellijk, zodat het niet zelden voorkomt dat men het lichaam aanneemt van de kinderen van zijn eigen kinderen of in de daarop volgende generatie, zo vlug gaat dat. In zulke gevallen gaat het altijd om een zeer primitieve graad van evolutie waarin het psychische wezen nog niet erg bewust is; het is zich nog aan het vormen.

> Er zijn er ook die zich met krachten van een universele orde hebben verenigd, of met entiteiten uit het bovenmentale of elders, die in de aardatmosfeer blijven en het ene lichaam na het andere aannemen voor het werk.

> Het gaat dus als volgt: het psychische wezen wisselt activiteit af met rust; het gaat door een leven van vooruitgang dankzij de ervaringen die het fysiek meemaakt, in een actief leven in een fysiek lichaam, met alle ervaringen van het lichaam, het vitale en het mentale; daarna gaat het normaal gesproken over in een assimilerende rust, waar het resultaat van de vooruitgang tijdens het actieve bestaan wordt uitgewerkt.

> Bij zeer intellectuele personen, bijvoorbeeld, die hun brein in uitzonderlijke mate ontwikkeld hebben, behoudt het mentale deel van het wezen zijn constructie. Deze blijft bewaard in de vorm van dat grotelijks geordend brein; ze leidt haar eigen leven en kan naar een toekomstig leven worden meegenomen om er met al haar capaciteiten aan deel te hebben.

> Het is dus een grove vergissing te veronderstellen dat in de overgangsperioden tussen twee fysieke levens de vooruitgang blijft doorgaan, of dat hij volgens sommigen zelfs versneld wordt. Doorgaans is er dan helemaal geen vooruitgang, want de psyche gaat dan rusten, en de andere wezensdelen worden na een min of meer kortstondig verblijf in hun eigen domein ontbonden.

> Het psychische wezen is gevormd door die goddelijke kern, progressief, in al zijn opeenvolgende incarnaties. Er komt een punt waarop het een soort perfectie bereikt, de perfectie van zijn groei en vorming. Omdat het in zich een aspiratie tot verwezenlijking draagt, tot een grotere vervolmaking om de Godheid beter te manifesteren, trekt het dan meestal een wezen van de involutie aan, met andere woorden een wezen uit wat Sri Aurobindo de overmind heeft genoemd, het bovenmentale, en dat komt zich dan in dat psychische wezen belichamen.

Note: Dit laat me dan weer vermoeden dat het bovenmentale gelijk staat aan wereld 46 (de wereld van Augoeides of de Essentiële wereld).

> Zo kunnen er niet slechts twee of drie, maar vier, vijf emanaties van hetzelfde psychische wezen worden gevormd.

> Voor de vorming van het kind maakt dat een groot verschil. Heeft de incarnatie plaats bij de conceptie, dan wordt de hele vorming van het kind dat geboren gaat worden, bestuurd en geleid door het bewustzijn dat zich gaat belichamen.

> Wat vaker voorkomt is dat op het ogenblik van de geboorte, dus bij de eerste onafhankelijke actie van het kind wanneer het zijn longen uitzet door zo hard te schreeuwen als het maar kan, die roep van het leven de neerdaling gemakkelijker en efficiënter maakt. Maar soms gaan [na de geboorte] dagen en zelfs maanden van langzame voorbereiding voorbij en heeft de neerdaling [van de ziel] in het lichaam heel geleidelijk plaats, op een zeer subtiele en bijna onmerkbare manier.

> De ziel laat in elk domein – in het subtiel- fysieke, het vitale en het mentale – haar overeenkomstige omhulsels achter, het een na het ander; er blijft een soort band tussen hen bestaan, maar elk leidt een onafhankelijk leven. Zelf gaat ze naar de psychische zone, realiteit of wereld, en treedt er in een gelukzalige assimilerende rust, tot ze, zoals ergens geschreven staat, al haar ‘goede werken’ geassimileerd heeft, tot ze die goede werken heeft verteerd en klaar is om een nieuwe ervaring aan te vatten. Heeft ze haar werk goed gedaan en hebben al haar wezensdelen of omhulsels zich in de onderscheidene domeinen naar behoren gedragen, dan zal ze zich bij haar volgende neerdaling opnieuw bekleden met die omhulsels die in een vroeger leven de hare zijn geweest, en met die rijkdom aan kennis en ervaring toegerust zal ze zich klaarmaken om haar intrek te nemen in een nieuw lichaam. Dat gebeurt misschien na honderden of duizenden jaren, want in die domeinen is alles wat een vorm of ordening bezit niet noodzakelijk nog langer onderhevig aan de ontbinding die we op aarde ‘de dood’ noemen. Zodra een vitaal wezen volledig harmonisch is uitgebouwd, wordt het onsterfelijk. Het is door de innerlijke wanorde en alle aandriften tot vernietiging en, ja, ontbinding dat het uiteengereten en vernietigd wordt. Is het echter helemaal harmonisch geworden, gevormd, en om zo te zeggen vergoddelijkt, dan wordt het onsterfelijk. Hetzelfde geldt voor het mentale,

Families van zielen

> Men ontmoet en herkent elkaar slechts in de mate dat men zich van zijn psychische wezen bewust is, dat men eraan gehoorzaamt, dat men erdoor geleid wordt. Er is anders zoveel dat dat tegenspreekt, waardoor het versluierd wordt, waardoor men wordt afgestompt, er zijn zoveel hindernissen die beletten dat men elkaar op een dieper vlak terugvindt en werkelijk aan het grote werk kan meewerken. Men wordt door de krachten van de natuur heen en weer geslingerd.

> De ziel incarneert in verschillende ‘lichamen’ of ‘omhulsels’ die heel wat verschillende namen hebben in de onderscheidene occulte of spirituele tradities. De voornaamste van deze omhulsels, waaruit wij allemaal bestaan, zijn het mentale, het vitale en het materiële. Met de materiële zintuigen wordt alleen het materiële omhulsel waargenomen, maar de mens is heel wat complexer dan de natuurwetenschappen veronderstellen.

10. Vrije wil, lotsbestemming, karma, genade

> Want alles wat ons overkomt is noodzakelijk, niet om een mentale reden, maar om ons te brengen ver voorbij alles wat het mentale zich kan voorstellen.

> Er is een niveau van goddelijk bewustzijn waar alles absoluut gekend is en waar het plan van de dingen, als geheel, voorzien en voorbestemd is. Deze manier van zien behoort tot de hoogste toppen van het supramentale: het is de visie van het Opperwezen zelf.

> Op een lager bewustzijnsniveau staat niets vast en is niets op voorhand verwezenlijkt: alles is er in de maak. Hier zijn geen vooraf bestaande feiten, er is alleen het spel van de mogelijkheden, en het is uit de botsing van die mogelijkheden dat resulteert wat gebeuren moet.

> Vrijheid en fatalisme, vrije wil en voorbestemdheid zijn waarheden die tot verschillende bewustzijnsniveaus behoren. Het is de mentale onwetendheid die ze op hetzelfde niveau plaatst en tegenover elkaar stelt. Het bewustzijn is geen eenvoudige en uniforme werkelijkheid, het is complex; het is niet als één vlak, het heeft veel dimensies of verdiepingen. Bovenaan de ladder bevindt zich het Opperwezen, onderaan de materie, en er is een oneindige gradatie van bewustzijnstrappen tussen wat zich helemaal bovenaan en helemaal onderaan bevindt.

> Dat is nu juist het doel van yoga: wegkomen uit de cyclus van karma om in de goddelijke beweging der dingen over te gaan.

> In het materiële vlak, het zuiver materiële (los van het vitale), heerst een absoluut determinisme waarbij het een altijd uit het ander volgt.

> Maar in dat zuiver materiële vlak kan het vitale vlak doordringen, wat reeds gebeurt in het plantenrijk. Het vitale vlak heeft een determinisme dat totaal verschilt [van het materiële]. Bewerkstellig je dat het vitale determinisme in het fysieke determinisme doordringt, dan volgt daaruit een combinatie van beide waardoor alles verandert. En boven het vitale vlak is er het mentale. Het mentale heeft ook een eigen determinisme waarbij alles heel nauwkeurig aan elkaar wordt geschakeld.

> Het is pas wanneer je op een bewuste en permanente manier in het hoogste vlak kunt blijven, met andere woorden in het goddelijk bewustzijn, dat je daar kunt zien dat alles absoluut voorbestemd is en tegelijk dat door de complexiteit en de verstrengeling van de determinismen alles absoluut vrij is.

> In het statische bestaan kan alles tegelijk aanwezig zijn, maar in de wording moet het een het ander opvolgen in de tijd. Welke weg zal die ontplooiing dan volgen?

> Hadden we niet de (eerste) illusie dat we vrij zijn, de tweede illusie dat we onze vrijheid kunnen benutten om te kiezen en de derde illusie dat we kunnen kiezen, dan zouden we geen vinger verroeren. De natuur verschaft ons dus die drie illusies en zet ons daardoor tot handelen aan omdat het voor haar nodig is dat we handelen.

> Als jullie een voldoende oprechte aspiratie hebben en een voldoende intens gebed, dan kunnen jullie iets in je doen neerdalen dat alles zal veranderen – alles. Echt waar, alles wordt veranderd.

> [De gevolgen van karma] zijn niet absoluut.

> Om je karma te veranderen zijn beide nodig, een grote nederigheid en een zeer sterke wil. (E53, 95- 104)

> Je maakt een wandeling en ineens vind je het leuk om deze kant op te gaan in plaats van die kant; de route van je wandeling wordt daardoor helemaal anders, maar het landschap waar je doorheen loopt was er al, het bestond al, het was dus gepredetermineerd – maar niet jouw ontdekking ervan.

> Nooit [zal je er] in slagen de wonderbaarlijke onmetelijkheid van haar werking te begrijpen noch de nauwkeurigheid, de precisie waarmee die werking wordt uitgevoerd.

> Nooit zul je in staat zijn in te zien hoezeer de genade alles bestiert, achter alles aanwezig is, alles regelt, alles leidt opdat de opmars naar de goddelijke verwezenlijking zo snel, zo volledig en ook zo algemeen en zo harmonisch mogelijk zou zijn, gegeven de omstandigheden waarin de wereld verkeert.

> [Ooit] zul je beginnen te begrijpen, ondanks de menselijke blindheid en de bedrieglijkheid van de omstandigheden, dat het de genade is die overal aan het werk is en die maakt dat op ieder ogenblik het allerbeste gebeurt in de staat waarin de wereld zich op dat ogenblik bevindt. Het komt doordat onze visie beperkt is, of zelfs doordat we verblind worden door onze voorkeuren, dat we niet kunnen zien dat het zo is.

Note: Gina Lake heeft over dit onderwerp uitgebreid geschreven in haar boek 'All Grace', door mij vertaald naar 'Alle Genade'.

> Het fysieke bestaan heeft zijn determinisme; het vitale bestaan heeft zijn determinisme; het hoger mentale en het psychische bestaan hebben hun determinisme. Alle hogere bestaanswijzen hebben hun determinisme – het supramentale bestaan heeft een supramentaal determinisme. Het determinisme van elke bestaanswijze is het resultaat van de combinatie van al die determinismen […] Als nu bijvoorbeeld het fysieke determinisme op een gegeven ogenblik noodzakelijkerwijs de dood tot gevolg moet hebben, en je kunt onmiddellijk in contact treden met een zeer hoog determinisme, laten we zeggen het supramentale, en beide met elkaar in verbinding brengen, dan verander je daardoor op datzelfde ogenblik je fysieke determinisme helemaal – de dood die wordt vereist door het fysieke determinisme wordt geannuleerd en de omstandigheden veranderen en verdwijnen naar de achtergrond.

> Het geloof dat wat gebeurt altijd het best mogelijke is.

> Je moet echter het geloof bewaren dat als je alles aan de Godheid overlaat, als je Hem de volledige verantwoordelijkheid voor jezelf toevertrouwt, als je Hem alles in jouw plaats laat beslissen, dat het dan voor jou altijd het beste is wat je overkomt. Het is een feit dat zeker is. In de mate dat je je [aan de Godheid] overgeeft, is het het best mogelijke dat je overkomt.

> We zijn hier, we hebben een taak uit te voeren, dus komt het erop aan die zo goed mogelijk te doen zonder ons te bekommeren om het hoe of het waarom.

11. Religie en spiritualiteit

> Het niveau van het collectieve bewustzijn is altijd lager dan dat van het individuele bewustzijn. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat het bewustzijnsniveau aanzienlijk daalt wanneer mensen in groepen samenkomen of met velen bij elkaar zijn.

> Er zijn heel wat invloeden die van de mens bezit proberen te nemen met dat als basis. Het gevoel van onveiligheid, van onzekerheid is als een werktuig, een instrument dat door de politieke of godsdienstige instellingen gebruikt wordt om druk uit te oefenen op individuen. Ze bedienen zich van die ideeën.

> Er was niets goddelijks in de wijze waarop het [christendom] gevormd werd en er is evenmin iets goddelijks in de wijze waarop het functioneert.

> De geloofsartikelen en dogma’s van een bepaalde godsdienst zijn producten van het mentale.

> Religie is de drijfveer geweest van het slechtste en het beste in de mens. In haar naam werden de moorddadigste oorlogen gevoerd en de vreselijkste vervolgingen op touw gezet, maar ze is ook aanleiding geweest tot de nobelste heldhaftigheid en tot de hoogste zelfopoffering. Samen met de wijsbegeerte geeft ze de grens aan die door het menselijke mentale bewustzijn in zijn meest hoogstaande activiteiten is bereikt. Ze is een beletsel en een keten als je de slaaf bent van haar uiterlijke vormen; weet je haar innerlijke substantie op de juiste manier te gebruiken, dan kan ze als springplank dienen voor je vlucht opwaarts naar de regionen van de geest.

> De ervaringen die we in al die levens hebben opgedaan, in een grote verscheidenheid van landen en godsdiensten, zijn bewaard gebleven in de innerlijke continuïteit van ons bewustzijn, dat door al onze levens heen blijft bestaan.

> Als het je doel is vrij te zijn in een vrijheid van de geest, dan moet je alle banden verbreken die niet de innerlijke vrijheid van je wezen vertegenwoordigen maar die uit onderbewuste gewoonten voortkomen. Wil je je helemaal, absoluut en uitsluitend aan de Godheid wijden, doe het dan onvoorwaardelijk en oprecht; laat geen fragmenten van jezelf nog hier of daar blijven vasthaken.

> Al je relaties moeten opnieuw worden opgebouwd op een grond van vrijheid en innerlijke keuze. De tradities waarin je leeft of waarin je werd opgevoed werden je opgedrongen onder druk van het milieu, van een collectieve suggestie, of van een keuze door anderen.

> Wat je ook denkt, zelfs al is het zeer verheven, zeer zuiver, zeer nobel, zeer waar, is slechts een heel klein, een microscopisch klein aspect van de waarheid, en dus verre van helemaal waar. Je moet dus, zoals ik zei, praktisch zijn en de gedachte aanvaarden die je vooruit helpt, voorlopig, op het ogenblik dat je haar hebt. Soms werkt ze verhelderend en helpt ze je om vooruit te gaan. Behoud ze zolang ze je helpt vooruitgaan.

> Heel wat ellende en ongelukken in de wereld zouden ons bespaard blijven als mensen de relativiteit van hun kennis inzagen, de relativiteit van het geloof, de relativiteit van de verschillende stelsels die onderricht worden, en ook de relativiteit van de omstandigheden – hoezeer dat alles ook van relatief belang kan zijn.

> In het supramentale bewustzijn is dat allemaal niet langer tegengesteld of wederzijds exclusief; het wordt complementair. Het is alleen maar door de mentale denkwijze dat de dingen worden opgedeeld. Wat een bepaalde mentale denkwijze vertegenwoordigt zou moeten worden verenigd met wat alle andere mentale denkwijzen vertegenwoordigen, om een harmonisch geheel te vormen.

> Alles zou veranderen als de mens erin toestemde gespiritualiseerd te worden, maar zijn mentale, vitale en fysieke natuur verzetten zich tegen de hogere wet. Hij is verknocht aan zijn onvolkomenheid.

> Je moet die dingen gebruiken zolang ze nuttig zijn.

> Heb je een gids op een stuk van de weg, verlaat dat stuk weg én de gids wanneer je aan het eind ervan gekomen bent, en ga verder!

> Voor de mensheid blijkt dat heel erg moeilijk. Krijgen de mensen greep op iets wat hen helpt, vinden ze een houvast, dan blijven ze zich eraan vastklampen en willen ze niets anders meer.

> Als je niets doet, kun je ook geen ervaringen hebben. Het hele leven is één ervaringsterrein. Elke beweging die je maakt, elke gedachte die je hebt, elk werk dat je verricht kan een ervaring zijn en zou een ervaring moeten zijn. Het is duidelijk dat vooral het werk een ervaringsterrein is waarin men de vooruitgang moet uittesten die men innerlijk probeert te verwezenlijken.

> Blijf je in jezelf besloten, zonder actief te zijn, dan is het mogelijk dat je helemaal in een subjectieve begoocheling leeft. Maar vanaf het ogenblik dat je door je arbeid naar buiten komt en contact hebt met anderen en met de omstandigheden en dingen uit het leven, ga je je objectief rekenschap geven of je al dan niet vooruit bent gegaan, of je kalmer bent geworden, bewuster, sterker, onthechter, welke begeerten of voorkeuren je nog hebt, welke zwakheden, of je nog [spiritueel] ontrouw bent.

> Het is stellig met het onderricht van de Boeddha dat het idee van de vlucht uit de wereld is opgekomen; het heeft de vitaliteit van het land ondermijnd omdat je al het mogelijke hoorde te doen om het leven te verlaten.

> Het spirituele leven, het leven van yoga, heeft een groei tot doel waarvan de bekroning een vereniging met het goddelijk bewustzijn is, en het resultaat een zuivering, intensivering, verheerlijking en vervolmaking van wat in elk van ons aanwezig is. Het schenkt ons het vermogen om de Godheid te manifesteren. Het verhoogt het karakter van iedere persoonlijkheid tot zijn volle waarde en brengt het tot het maximum van zijn expressie. Want dat maakt deel uit van het goddelijk plan.

> Het psychische of spirituele bewustzijn schenkt je de diepe innerlijke verwezenlijking, het contact met de Godheid, de bevrijding van de uiterlijke belemmeringen. Om deze bevrijding echter doelmatig te laten zijn, moet ze een effect op de rest van je wezen hebben.

  • Het mentale moet voldoende open zijn om het spirituele licht van de kennis te kunnen ontvangen;

  • het vitale moet sterk genoeg zijn om de krachten achter de uiterlijke schijn te kunnen manipuleren en meester te blijven;

  • het fysieke moet voldoende gedisciplineerd en georganiseerd zijn om in de handelingen van alledag de diepere ervaring te kunnen uitdrukken en integraal te beleven.

> Willen we een totaal, compleet wezen zijn en een integrale verwezenlijking hebben, dan moeten we onze spirituele ervaring mentaal, vitaal en fysiek naar buiten toe kunnen uitdrukken.

> Een theorema is de formulering van een waarheid waar men door redeneren toe gekomen is. De term wordt op een nauwkeurig bepaalde wijze gebruikt in de wiskunde, in alle fysieke wetenschappen en ook in de wijsbegeerte.

> Zulke dingen kun je alleen maar begrijpen door ze te ervaren: je moet de waarheid beleven. Het gaat er niet om de waarheid waar te nemen als met de gewone zintuigen, maar ze vanbinnen te verwezenlijken, dat gelijktijdig bestaan van de twee toestanden [het absolute in de relativiteit, de eenheid in verscheidenheid], die tegelijk bestaan terwijl ze toch tegengestelde zijnstoestanden zijn. Woorden, welke ook, kunnen slechts tot verwarring aanleiding geven. Alleen de ervaring geeft de tastbare realiteit van het iets waar het om gaat:

> De formulering kan in meerdere of mindere mate juist zijn, dat heeft niet het minste belang, als je er maar geen dogma van maakt. Ze is juist voor jou, dat is voldoende. Wil je haar aan anderen opdringen – wat ze ook is, zelfs indien ze als zodanig volmaakt is – dan wordt ze vals.

> Dat is de reden waarom de godsdiensten er altijd naast zitten – altijd. Ze willen immers de formulering van een ervaring standaardiseren en ze aan iedereen als de ontegenzeglijke waarheid opleggen. De ervaring was authentiek, op zich volledig, overtuigend … voor degene die ze had. De manier waarop hij haar geformuleerd heeft was uitstekend … voor hem. Maar haar aan anderen willen opdringen is een fundamentele vergissing met rampzalige gevolgen, altijd, die de mens steeds verder doet dwalen, steeds verder van de waarheid.

Note: deze laatste drie alineas beschrijven exact hetzelfde als Hylozoïca

12. Wetenschap en materialisme

> De complexe aaneenschakeling van het verleden en het heden, waardoor de processen van de natuur zozeer de schijn van een onverbiddelijk determinisme verkrijgen, is niets anders dan een mentale wijze van de dingen te bezien; ze is geen bewijs dat alles wat bestaat onontkoombaar is en niet anders kan zijn.

> Wij van onze kant, wij zien ook die leugen, maar we weten dat dit heelal veranderd moet worden en niet als een illusie aan zijn lot overgelaten.

> Het heelal is een eindeloze aaneenschakeling van werelden en bewustzijnstoestanden. Waar eindigt je materie en waar begint je geest in die gradatie van een steeds grotere fijnstoffelijkheid? Je hebt het almaar over ‘geest’, maar waar begint hij, die geest van jou? Waar je niets meer kunt zien, is het daar? Maar dan breng je bij de geest bijvoorbeeld alle wezens uit het vitale onder omdat je ze in je normale toestand niet kunt zien […]

> Voor het menselijk bewustzijn zoals het nu is, zijn er oneindig meer onzichtbare dingen dan zichtbare.

> De werkelijkheid is dus erg variabel en kan soms zelfs tegengestelde vormen aannemen naargelang de manier waarop ze door het bewustzijn wordt waargenomen.

> Je moet inzien dat de dingen in het heelal op een doel afgaan, dat ze waarde hebben in zoverre ze dat doel helpen verwezenlijken, en dat die waarde volkomen relatief is. Wat goed is voor de een is misschien niet goed voor de ander. Wat goed is op een gegeven ogenblik is misschien niet goed op een ander ogenblik. Alle dogmatisme is bijgevolg absurd.

> Het is een absoluut feit dat je slechts kent wat je bent; wil je iets kennen, dan moet je het worden.

> Er zijn heel weinig mensen die weten dat er in het heelal een oneindig aantal gradaties bestaat; dat elk van die gradaties haar eigen werkelijkheid bezit, haar eigen leven, haar eigen wet, haar eigen determinisme; en dat de schepping er niet zomaar is gekomen, door een grillige wil op willekeurige wijze, maar dat ze een bewustzijnsontplooiing is en dat alles is ontstaan als het logisch gevolg van iets wat eraan vooraf is gegaan.

> De wereld is haar goddelijke oorsprong vergeten en een arena geworden waarin egoïstische energieën met elkaar in botsing komen; toch kan ze ontvankelijk worden voor de waarheid, deze door aspiratie in zich doen neerdalen en orde scheppen in de draaikolk van het toeval. Wat de mensen voor een werktuiglijke opeenvolging van gebeurtenissen houden, door hun associatieve manier van denken, hun ervaringen en hun veralgemeningen, is in feite het resultaat van ingrepen door krachten uit de subtiele wereld, die alle hun eigen wil proberen te verwezenlijken. De wereld is nu zozeer aan die niet-goddelijke krachten onderworpen dat de overwinning van de waarheid slechts behaald kan worden door ervoor te vechten.

> In feite is de Godheid hier beneden, in de lagere natuur, afgeschermd door de kosmische onwetendheid, en wat nog door dat scherm komt is dus niet de onverhulde goddelijke kennis. Staande houden dat alles, zonder onderscheid, de wil van God is, is een sluwe suggestie van de vijandige krachten die de schepping het liefst zo stevig mogelijk zouden willen vastkluisteren in de lelijkheid en wanorde waar ze nu toe vervallen is. (E30-31, 228-29)

13. Occultisme

> Mysticisme is een min of meer gevoelsmatige relatie met wat men als een goddelijke macht aanvoelt. Het soort zeer gevoelsmatige, zeer affectieve, zeer emotioneel intense relatie met een onzichtbaar iets wat de Godheid is, of dat men voor de Godheid houdt – dat is mysticisme.

> Occultisme is precies wat [Sri Aurobindo] hier beschreven heeft: het is de kennis van de onzichtbare krachten en het vermogen om ermee om te gaan.

> Nu zijn er in de atmosfeer altijd massa’s kleine, heel kleine wezentjes, meestal het resultaat van menselijke ontbindingen [na de dood], die net microben zijn – ze zijn als het ware de microben van het vitale, maar beter zichtbaar [dan microben] en met een eigen wil. Je kunt niet zeggen dat ze echt boosaardig zijn, maar ze zitten vol kattenkwaad, ze maken dolgraag lol en zoeken zich te amuseren ten koste van de mensen.

> Zoals wij, in de fysieke wereld, bestaan uit dezelfde stoffelijkheid als die van de fysieke wereld, zo zijn er ook in de vitale, mentale, bovenmentale en supramentale werelden (en in nog veel, oneindig veel andere) wezens met een gestalte die bestaat uit een substantie die dezelfde is als die van die werelden.

> Het spreekt vanzelf dat naarmate men zich verder van de materiële wereld verwijdert, de vormen en het bewustzijn van de wezens van een zuiverheid, een schoonheid en een volmaaktheid zijn die onze fysieke vormen ver overtreffen. Het is slechts van de naaste vitale wereld, degene die bijna met ons materiële leven vermengd is, dat men kan zeggen dat sommige van haar aspecten nog lelijker zijn dan hier. [Die lagere vitale wereld] is immers vol boosaardigheid zonder het tegenwicht van de aanwezigheid van het psychische wezen, dat in de fysieke wereld die boosaardigheid tegengaat, corrigeert en herstelt.

> In die onzichtbare werelden zijn er ook regionen die het resultaat zijn van menselijke mentale formaties. Je vindt er trouwens alles wat je maar kunt bedenken.

> Die toestanden hebben slechts een erg relatief bestaan, van een gelijkaardige relativiteit als die van de materiële dingen hier. Dit betekent dat ze voor degene die er zich middenin bevindt reëel zijn en dat hun uitwerkingen duidelijk voelbaar zijn.

> We hebben allen de gelegenheid om een contact te hebben (zeer gedeeltelijk, zeer oppervlakkig) met die werelden, in onze dromen namelijk.

> Het is doorgaans het mentale deel van het vitale dat een uitstap maakt, niet het mentale of vitale als zodanig.

> Je ziet dan alles wat van een gelijkaardige hoedanigheid is [als het ‘lichaam’ of ‘omhulsel’ waarin je bent uitgetreden].

> Als een mantra je niet door een goeroe gegeven werd en als die goeroe je niet samen met de mantra ook zijn occulte of spirituele macht heeft doorgegeven, dan mag je die mantra duizenden keren herhalen, hij zal niet de minste uitwerking hebben.

> [De magische formules] zetten kleine entiteiten aan het werk die doorgaans voortkomen uit de ontbinding van menselijke wezens en die nog een voldoende contact hebben met de materiële wereld om er een effect op te kunnen hebben.

> Er zijn wezens die de gave bezitten om voorwerpen te dematerialiseren en te rematerialiseren. Ze zagen er als doodgewone brokken baksteen uit, maar die brokken baksteen materialiseerden zich slechts in het veld waar de magie van kracht was.

> Heb je een innerlijk probleem en je verlangt er een oplossing voor, dan concentreer je je op dat probleem. Terwijl je geconcentreerd bent, steek je de briefopener in het boek en je wijst [zonder te kijken] ergens iets aan met de punt. Als je weet hoe je je moet concentreren, als je het werkelijk doet met een aspiratie om een antwoord te krijgen, dan komt er altijd een.

> Elk deel van een geheel bevat potentieel wat in het geheel aanwezig is.

> Neem je evenwel een boek dat een condensatie van krachten bevat – van spirituele kennis of kracht, of met een instruerende potentie – dan krijg je een zinvol antwoord op je vraag. (E56, 186-88)

14. Het leven van alledag

> De eerste raad die men daarom geeft aan degenen die yoga willen doen, is dat ze boven alle sympathieën en antipathieën moeten zien uit te komen.

> Wil men zich dus in spirituele zin ontwikkelen, dan is het eerste wat men doen moet boven zijn sympathieën én zijn antipathieën uitstijgen, en dat alles met een glimlach aanzien. (E57-58, 204-206)

> Het is beslist beter je mentale en je vitale te zuiveren voordat je erover denkt je lichaam te zuiveren. Want ook al neem je alle mogelijke voorzorgen en zie je erop toe dat je fysiek alleen maar inneemt wat je lichaam fijnstoffelijker helpt maken, het dient nergens toe als je mentale en je vitale in een staat blijven van begeerte, onbewustheid, duisternis, hartstocht, enzovoort.

> Als je aan het vasten bent en je moet er gedurig aan denken dat je honger hebt en dat je zou willen eten, dan is dat tienmaal erger dan te eten; maar kun je echt vasten en aan iets anders dan eten denken, dan kun je daardoor geholpen worden om een trapje hoger te gaan in je bewustzijn, om bevrijd te worden uit de slavernij van de behoefte aan materiële dingen.

> Als je de zienswijze omarmt dat de wereld de veruiterlijking is van de Godheid in al zijn complexiteit, dan zijn complexiteit en verscheidenheid noodzakelijk, en kun je onmogelijk anderen nog willen overtuigen te denken en te voelen zoals jij.

> Hoe dan ook, ik kan jullie verzekeren dat je vanaf een bepaald punt hoegenaamd, maar dan ook hoegenaamd niet meer de behoefte voelt om anderen te overtuigen van de waarheid van wat je denkt. (E56, 122-23)

Geld

> Je moet op sattwische wijze te werk gaan en er het best mogelijke gebruik van maken. Iedereen moet dus in zijn hoogste bewustzijn overwegen wat het best mogelijke gebruik is van het geld dat hij bezit.

> Er is dus niets slecht als zodanig, maar er zijn heel wat zaken – bijna alle – die zich niet op hun plaats bevinden. In het lichaam is het misschien ook zo: er is niets dat als zodanig slecht is, maar er zijn veel dingen die zich niet op hun plaats bevinden en het is daardoor dat men ziek wordt. Er ontstaat een innerlijke disharmonie en het resultaat ervan is ziekte.

Slaap en dromen

> Wanneer je ingeslapen bent, is bijvoorbeeld je lichaam in slaap, en je vitale is in slaap, maar je mentale bewustzijn is nog steeds actief. Dit mentale begint dan dromen te hebben; zijn activiteit is min of meer gecoördineerd, de verbeelding is erg levendig, en je ziet allerlei dingen; je maakt buitengewone belevenissen mee. Na een poosje wordt dat kalmer en het mentale begint eveneens te dommelen. Nu ontwaakt echter het vitale, dat eerst aan het rusten was. Het treedt uit het lichaam, gaat her en der uit wandelen, doet van alles, reageert op dingen, raakt soms in een gevecht verwikkeld, en moet zich tenslotte voeden. Het vitale doet allerlei dingen, want het is bijzonder avontuurlijk.

> Ontvang je een vitale slag, dan draagt het lichaam er de gevolgen van. Meer dan de helft van de ziekten is het gevolg van verwondingen van dat soort, want het gebeurt veel vaker dan men wel denkt. Maar de mensen zijn zich niet bewust van hun vitale, en omdat ze niet bewust zijn, weten ze niet dat vijftig percent van de ziekten het resultaat is van gebeurtenissen in het vitale. Een [vitale] schok, ongeval, gevecht, of een boze streek, dat uit zich allemaal in het lichaam door een ziekte.

15. Kunst

...

16. Opvoeding

> Maar de ziel zal in elk geval – in elk geval, zelfs in het beste, zelfs wanneer ze bewust is neergedaald, zelfs wanneer ze bewust aan de vorming van het fysieke lichaam heeft meegewerkt – … zolang het lichaam nog op de gewone dierlijke manier gevormd wordt, zal de ziel zich in elk geval moeten inzetten om de gevolgen van die menselijke dierlijkheid te corrigeren.

> Als jullie dat konden zien, die mentale atmosfeer die overal in het fysiek- mentale circuleert, die je aanzet tot bewegen, voelen, denken, handelen … ach, hemeltjelief, jullie zouden heel wat illusies over jullie ‘zelfstandige’ persoonlijkheid verliezen. Zo is het nu eenmaal. Of men het weet of niet, het is zo.

> Zelfs onder deze mensen, die reeds een keur vormen, is er misschien niet één op de duizend die werkelijk een individueel wezen is, bewust van zichzelf, één met zijn psychische wezen, bestuurd door zijn innerlijke wet, en bijgevolg bijna, indien niet helemaal, vrij van uiterlijke invloeden doordat hij ze kan waarnemen wanneer ze op hem afkomen.

> Het is zo duidelijk als wat dat de bewustzijnstoestand waarin de ouders zich op het ogenblik van de conceptie bevinden van kapitaal belang is.

> Er is een eigenschap die men in het kind moet aankweken wanneer het nog heel klein is, en wel het gevoel van onbehagen, van morele evenwichtsverstoring dat het ondervindt wanneer het bepaalde dingen heeft gedaan – niet omdat men hem gezegd heeft dat niet te doen, niet omdat het bang is gestraft te worden, maar uit eigen beweging. Als een kind bijvoorbeeld een makkertje pijn doet uit boosaardigheid, en het verkeert in zijn normale, natuurlijke toestand, dan zal het een onbehaaglijk gevoel ondervinden, iets treurigs diep van binnen, omdat wat het gedaan heeft in strijd is met zijn innerlijke waarheid.

> Als je in de ogen het psychische wezen niet kunt vinden, dan wijst dat erop dat het zich ver heeft teruggetrokken, dat het door heel wat dingen is afgeschermd. Kijk je oplettend in de ogen van kleine kinderen, dan zul je daar een licht in vinden – argeloos, zegt men, maar zo waarachtig, zó waarachtig – dat de wereld met verwondering aanziet. Dat is de verwondering van het psychische wezen, dat wel de waarheid onderscheidt maar niet veel van de wereld begrijpt omdat die te ver van hem af staat. Kinderen hebben dat. Maar dat verdwijnt naarmate ze beginnen te leren en intelligenter worden.

> Maar wat is instinct? Het is de tegenwoordigheid van de Godheid in ‘de geest van de soort’ die de psyche van de dieren is, want dat is een collectieve psyche, geen individuele.

> Kinderen zijn bang voor allerlei dingen die voor oudere mensen niet meer bestaan. Hun gezichtsvermogen is niet uitsluitend materieel, ze hebben een min of meer nauwkeurige perceptie van het spel van de krachten achter de dingen.

> In de grond is er maar één ware reden om te leven: zichzelf te leren kennen. We zijn hier om te leren – om te leren wie we zijn, waarom we hier zijn en wat we hier te verrichten hebben.

> Het staat echter vast dat men in de periode van het zevende tot het veertiende jaar de drempel van de jaren des onderscheids begint te bereiken. Wordt men daarbij geholpen, dan kan men tussen zijn zevende en veertiende jaar een redelijk wezen worden.

> Met je veertiende ben je klaar, of zou je klaar moeten zijn, om te weten wat je wilt worden.

> In de grond is het enige wat jullie met alle mogelijke ijver moeten doen hun leren zichzelf te kennen en hun eigen levenslot te kiezen, de weg die ze willen volgen – hun leren zichzelf te zien, te begrijpen en te willen. Dat is oneindig veel belangrijker dan hun leren wat er eertijds op aarde is gebeurd, of zelfs hoe de aarde in elkaar zit,

> Wat echter uiterst belangrijk is, is weten wat je wilt. Daarvoor is een minimum aan vrijheid nodig. Je mag niet onder druk of onder dwang moeten handelen, je moet de dingen uit vrije wil kunnen doen.

> Willen jullie echter een denkvermogen aankweken dat duidelijk is, concreet, helder, eenpuntig, dan moeten jullie daarvoor een inspanning doen: jullie moeten je gedachten verzamelen, richten, concentreren. De eerste maal dat je dat doet, doet het letterlijk pijn en mat het je af. Als het echter geen gewoonte wordt, zul je je hele leven in een toestand van wazigheid blijven doorbrengen.

> We weten dat de rede niet het hoogste vermogen van de mens is en dat ze moet worden voorbijgestreefd, maar het is ook zo duidelijk als wat dat, als je er geen hebt, je een leven leeft dat aaneenhangt met haken en ogen. Dan kun je je niet eens op een rationele manier gedragen. Je wordt dan door een kleinigheid van je stuk gebracht, zonder zelfs te weten waarom, laat staan hoe je het moet verhelpen

> Je moet in jezelf de zekerheid koesteren dat dat essentieel waar is en dat dat zich zal verwezenlijken. Dan ontwaakt het geloof in de cellen van het lichaam, en je zult zien dat je een antwoord zult vinden in je lichaam zelf. Je lichaam zal voelen dat alle beperkingen langzamerhand verdwijnen indien het door zijn innerlijke wil wordt geholpen, gesterkt, voorgelicht en geleid.

> Als je normaal bent, dus niet bedorven door een slechte opvoeding en door verkeerde voorbeelden, als je geboren bent en opgegroeid in een gezond en relatief evenwichtig en normaal milieu, dan zal je lichaam spontaan, zonder dat je mentaal of zelfs vitaal tussenbeide hoeft te komen, de zekerheid voelen dat alle stoornissen genezen zullen worden. Het lichaam draagt in zich de zekerheid van de genezing, de zekerheid dat een ziekte of stoornis onvermijdelijk verdwijnen zal. Het is slechts door de vervormingen van de opvoeding en van het milieu dat het lichaam geleidelijk aan de overtuiging opdoet dat er onherstelbare ziekten en ongevallen zijn, dat het onderhevig is aan een proces van veroudering, en dat het al die andere vertelsels gaat geloven waardoor hem zijn geloof en vertrouwen worden ontnomen.

> Hoe ouder je wordt, des te meer het denken vervormd wordt. En er zijn ook de alom verbreide collectieve suggesties. En zo verliest het lichaam langzamerhand zijn zelfvertrouwen, en doordat het zijn zelfvertrouwen verliest, verliest het natuurlijk ook dat spontane vermogen om een verbroken evenwicht te herstellen.

> Het is alleen maar door het verkeerde gebruik van het denken en van de invloed van het verkeerde denken op het lichaam, dat hem die zekerheid van de overwinning ontnomen wordt. Het allereerste dat men hoort te doen is de groei van die zekerheid bevorderen in plaats van haar uit te roeien. Is ze eenmaal aanwezig, dan is er geen inspanning tot aspiratie meer nodig, maar alleen gewoon een ontluiking.

> Er is een wereld waar jullie de opperste vormgevers zijn, namelijk jullie eigen vitale wereld. Je bent daar de opperste vormgever en je kunt een wonder van je wereld maken als je dát vermogen weet te gebruiken. Heb je het bewustzijn van een kunstenaar, van een dichter, houd je van harmonie, van schoonheid, dan kun je daar iets prachtigs opbouwen dat de tendens heeft zich in de materiële manifestatie uit te werken.

> Wisten we maar hoe we die macht, die scheppende macht in de wereld van de vitale vormen, moeten gebruiken wanneer we nog kinderen zijn, kleine kinderen, want het is dan dat we ons materiële lot ontwerpen. Maar de mensen om je heen – soms zelfs je jonge vriendjes maar vooral de ouders en de leraren – die bemoeien zich daarmee en verknoeien alles, zodanig dat het zelden gebeurt dat het nog weer helemaal goed komt. Anders, als dat zo gedaan kon worden, met de spontane argeloosheid van het kind, zou men zich een wonderbaarlijk bestaan kunnen ontwerpen, en ik bedoel wel degelijk in de fysieke wereld. De dromen van het kind zijn de werkelijkheid van de volwassene. (E56, 135-37)

17. Yoga en meditatie

> We zijn ons slechts van een onbeduidend deel van ons wezen bewust, van de rest zijn we ons niet bewust. Het is door die onbewustheid dat we met ons lager wezen verbonden blijven en dat alle verandering en transformatie verhinderd wordt. De antigoddelijke krachten nemen die onbewustheid te baat om in ons binnen te dringen en ons tot hun slaven te maken.

> Elke moeilijkheid die je moet overwinnen is als het ware een spirituele test die je moet afleggen. Leg je die test niet af, dan wordt de volgende veel moeilijker. Dat is een occulte wet waar je niet omheen kunt.

> Het is het leven zelf, het zijn de dagelijkse omstandigheden die nu de testen leveren waarvoor men moet slagen.

> Maar de mensen met een sterk karakter ondervinden grote moeilijkheden. Het is in deze wereld immers onmogelijk geen moeilijkheden te hebben. Zolang de wereld blijft zoals ze is en men eraan deel heeft, deelt men noodzakelijkerwijs ook in haar moeilijkheden.

> Bij wie een aspiratie naar de Godheid heeft, is de moeilijkheid die het vaakst bij hem de kop opsteekt een aanwijzing van de mogelijkheid waardoor hij op zijn eigen manier de Godheid zal bereiken, van zijn persoonlijke weg naar de goddelijke verwezenlijking.

> Neerslachtigheid is een teken van zwakte, van een kwaadwilligheid ergens, en wel een kwaadwilligheid in de zin van een weigering om geholpen te worden en een soort zwakheid die er genoegen in schept zwak te zijn.

> Men is vooral gedeprimeerd om te laten zien dat men ontevreden is.

> De noodzakelijkste eigenschappen zijn uithoudingsvermogen, doorzettingskracht en een soort innerlijk goed humeur zodat je niet ontmoedigd wordt, niet misnoegd en zodat je de moeilijkheden met een glimlach onder ogen kunt zien.

> Alles wat men op het gebied van yoga doet, moet gedaan worden om de vreugde van het doen en niet met het oog op het resultaat dat we willen bereiken.

> Wij zijn niet in staat om te oordelen wat het resultaat dient te zijn.

> Wanneer je met je vitale te maken hebt, moet je altijd zien dat je goedgehumeurd blijft, anders gaat het verkeerd.

> Niets mag je ontmoedigen, want er zijn zoveel moeilijkheden die veroorzaakt worden door de onwetendheid ten aanzien van de verschillende gradaties van je eigen wezen, met daarbij de voor niets terugdeinzende boosaardigheid en de onvoorstelbare geslepenheid van de vijandige krachten in de wereld. Weet je waarom die er zijn? Weet je waarom ze geduld worden? Gewoon om te zien hoe lang je je inspanning kunt volhouden en hoe oprecht je inzet is. Want alles hangt af van je oprechtheid.

> In de grond is het zo dat als je werkelijk in overgave leeft, waarachtig en totaal, je op ieder ogenblik bent wat je zijn moet, doet wat je doen moet en weet wat je weten moet. Maar daarvoor moet je natuurlijk de enge begrenzingen van het ego hebben overschreden.

> Maar hoe meer je bereid bent alles wat je hebt meegemaakt achter je te laten om verder te kunnen gaan naar iets beters en hogers, des te vlugger je vooruit zult komen; hoe zwaarder de last van het verleden die je met je meesleept omdat je er niet van af wilt, des te meer je vooruitgang vertraagd wordt.

> Het bestaat erin nooit het besef te verliezen van de totale zelfovergave aan de genade, die een aspect is van de allerhoogste.

> Zolang je nog begeerten hebt, een ego en een eigen wil, kun je geen afstand doen van de rede, want dan loop je de kans […] totaal onevenwichtig te worden en misschien zelfs krankzinnig. De rede moet de meesteres blijven tot je voorbij de toestand bent waarin ze nuttig is.

> De rede is je beste middel om onderscheid uit te oefenen vóór je de hogere regionen hebt bereikt. Luister je niet langer naar de rede, dan kun je in allerlei absurditeiten verzeild raken. Ze is vanzelfsprekend niet het ideaal noch het toppunt, maar alleen een soort controle en een gids om zich in het leven te gedragen en daardoor de onzinnigheden, buitensporigheden, wilde hartstochten en vooral de impulsieve handelingen te verhinderen die je naar de afgrond kunnen brengen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn, helemaal bevrijd van je ego en volmaakt overgegeven aan de goddelijke wil om het veilig zonder de rede te kunnen doen. (E56, 425-27)

> Heb het besef van de relativiteit der dingen. Dan zul je afstand kunnen nemen en toekijken, wat er ook gebeurt. Je zult vredig kunnen blijven, je zult de goddelijke kracht kunnen roepen en haar antwoord afwachten. Dan zul je precies weten wat je hoort te doen. Denk er ook om dat je oproep niet beantwoord kan worden zolang je niet volmaakt vredig bent. Breng die innerlijke vrede in praktijk. Probeer het toch minstens een beetje, en blijf het proberen tot het een gewoonte wordt. (E30-31, 223-24)

> Je kunt je aldus in een handomdraai afmaken van een karakterfout die je jarenlang dwars heeft gezeten. Ik geef jullie daar de stellige verzekering van. Het hangt maar van één iets af, en wel dat je daar echt, oprecht van af wilt raken. En het is zo met alles, van lichamelijke ziekten tot de ergste mentale moeilijkheden. Een deel van het bewustzijn zegt: ik wil, maar daarachter houdt zich een massa elementen schuil die niets zeggen, die zich koest houden en die willen dat alles blijft zoals het is. Dat is gewoonlijk uit onwetendheid, omdat ze niet beseffen dat het nodig is te genezen.

> Gaan jullie jezelf oplettend na, dan zullen jullie merken dat je altijd in jezelf het tegendeel draagt van de deugd die je moet verwezenlijken.

> Jullie zullen altijd zien dat binnenin licht en schaduw hand in hand gaan: waar een mogelijkheid is, is er ook de negatie van die mogelijkheid. Als jullie dus in jezelf een diepe, donkere put ontdekken, of een donkere schaduw, wees dan zeker dat daar ook een groot licht aanwezig is. Jullie moeten ontdekken hoe je het een kunt gebruiken om het ander te verwezenlijken.

> Dat is precies wat de hele tijd gebeurt. Het betekent dat je overheerst wordt door je lagere natuur, door de instincten van het onderbewuste, en dat die maken dat je dingen doet die je niet zou moeten doen. Het gaat dus om een keuze tussen je wilskracht en je aanvaarding aan die krachten onderworpen te zijn.

> Er zijn individuele ego’s en er zijn collectieve ego’s.

> De menselijke soort heeft een collectief ego. Het individuele ego is het ego van een bepaalde persoon, het is het kleinste soort ego. Ja, er is ook een vitaal ego, een mentaal ego en een fysiek ego, maar dat zijn mindere vormen van individuele ego’s.

> Het is het ego dat je het gevoel geeft een persoon gescheiden van anderen te zijn.

> Het is wat je een bepaalde vorm geeft, een bepaald karakter, een afzonderlijk bewustzijn, het gevoel dat je op jezelf bestaat, onafhankelijk van alle anderen.

> Het ego is het instrument van de individualisering, wat wil zeggen dat het een zeer noodzakelijk instrument is zolang men nog niet volledig geïndividualiseerd is, zolang men [innerlijk] nog niet zelfstandig gevormd is.

> Zou men over het vermogen beschikken om het ego voortijdig te verwijderen, dan zou men zijn individualiteit verliezen, maar is de individualiteit eenmaal gevormd, dan wordt het ego niet alleen overbodig maar ook schadelijk. Dan pas komt het ogenblik dat het uitgeschakeld moet worden. Het spreekt echter vanzelf dat het zijn werk niet zo licht opgeeft, omdat het heel erg zijn best heeft gedaan om je op te bouwen, waarna het een beloning vraagt voor zijn inspanningen, namelijk van jouw individualiteit gebruik te mogen maken. (E55, 11-13)

> Het ego is wat ons helpt ons te individualiseren en wat ons verhindert goddelijk te worden.

> Wanneer we bewuste individuen zijn geworden, zijn we zozeer gewend met ons ego te leven dat we het niet eens meer kunnen onderscheiden, en is er heel wat aandacht nodig om alleen maar zijn aanwezigheid op te merken.

> Er is een spiritueel ego zoals er een fysiek, vitaal en mentaal ego is.

> Er zijn wezens die in zich duizenden verschillende persoonlijkheden dragen; elk daarvan heeft haar eigen ritme en ontwikkeling, en samen vormt dat een soort combinatie.

> Vaak ontstaan daardoor innerlijke conflicten en heeft er een spel van activiteiten plaats volgens een bepaald ritme en met een afwisseling van de onderscheidene persoonlijkheden die op een bepaald moment op de voorgrond treden, zich daarna op de achtergrond terugtrekken, en dan opnieuw naar voren willen komen.

> Er zijn mensen die werkelijk als een menigte zijn, en dat schenkt hun een buitengewone plasticiteit, soepelheid van handelen en complexiteit in perceptie. Dat zijn mensen die in staat zijn om een aanzienlijk aantal dingen te begrijpen, als hadden ze een waar leger [van innerlijke persoonlijkheden] tot hun beschikking dat ze kunnen laten manoeuvreren naargelang de omstandigheden en behoeften, en dat bevindt zich allemaal in hen. Indien die mensen door middel van yoga, van de discipline van yoga, erin slagen al die wezens te centraliseren rond het centrale licht van de goddelijke tegenwoordigheid, dan worden ze heel grote entiteiten, juist om reden van hun complexiteit.

> Je moet eerst een bewust, coherent, geïndividualiseerd wezen worden dat op zichzelf, uit zichzelf bestaat, onafhankelijk van zijn omgeving, dat alles kan aanhoren, alles lezen, alles zien zonder dat het ertoe doet: van buiten af ontvangt het uitsluitend wat het wil ontvangen. Het weigert automatisch alles wat niet in zijn opzet past, en niets kan op hem een indruk achterlaten als hij dat niet wil. Dan begin je een individuele persoonlijkheid te worden.

> Zou je uit je lichaam treden – de meesten kunnen het niet omdat hun vitale wezen nauwelijks geïndividualiseerder is dan hun fysieke –, zou je uit je lichaam treden en in de vitale wereld gaan, dan zou je daar allerlei dingen zien die in elkaar vloeien, die zich vermengen, die zich opdelen, allerlei soorten vibraties, krachtenstromen die komen en gaan, die met elkaar in botsing komen, proberen elkaar te verdringen en te vernietigen, die elkaar overweldigen, verzwelgen, uitstoten, enzovoort. Maar het is moeilijk daar een persoonlijkheid in terug te vinden. Het zijn krachten, stromingen, begeerten, vibraties. Er zijn daar wel individualiteiten, er zijn persoonlijkheden, maar dat zijn dan bewuste machten. De menselijke wezens die in die wereld geïndividualiseerd zijn, zijn ofwel helden ofwel duivels.

> En mentaal … Als jullie je toch eens bewust konden worden van jullie fysiek- mentale zoals het is. Het is soms met een stadsplein vergeleken, want alles heeft er vrij toegang toe, doorkruist het, komt er en gaat er. Alle gedachten passeren er, duiken hier op en verdwijnen weer daar, ze zijn overal. Ja, dat is net een stadsplein zonder enige orde, want de gedachten botsen er tegen elkaar op en er grijpen voortdurend allerlei incidenten plaats. Men gaat dan de vraag stellen: wat kan ik nu eigenlijk mijn mentale noemen? Wat is nu mijn mentale? Er zijn jaren werk, ordening en opbouw nodig, heel aandachtig, heel zorgzaam, redelijk en coherent, om ook maar in geringe mate – ja, in geringe mate – dat simpele iets te kunnen vormen: je eigen manier van denken.

> Jullie beseffen het niet, maar alles wat je denkt is totaal afhankelijk van allerhande dingen die niets met jezelf te maken hebben.

> Opdat dat een geordende, coherente, logische denkwijze zou worden is er een langdurige, nauwgezette arbeid nodig. En het mooie van de zaak is dat, wanneer je een keurige mentale constructie hebt opgebouwd, goed uitgewerkt, stevig gefundeerd en toegerust met een grote kracht, het eerste wat je [op het pad van yoga] te horen krijgt, is: je moet dat afbreken als je je met de Godheid wilt verenigen! Maar zolang je het niet hebt opgebouwd, kun je je niet met de Godheid verenigen omdat je Hem dan niets anders te bieden hebt dan een hoop dingen die niet jezelf zijn. Je moet eerst bestaan voordat je je kunt geven.

> Het ego is er nu eenmaal. De noodzakelijkheid ervan bestaat erin dat jullie bewuste, zelfstandige, geïndividualiseerde wezens moeten worden, ja, zelfstandige – dat jullie geen stadsplein zouden zijn waar alles kriskras door elkaar loopt, dat jullie op jezelf zouden kunnen bestaan. Dat is de reden waarom er een ego is.

> Het is dankzij de huid dat jullie niet in elkaar vervloeien. De rest van je wezen moet eveneens zo zijn.

> Je moet je niet alleen van jezelf bewust worden, in alle details, je moet ook wat je jezelf noemt ordenen rond het psychische centrum, het goddelijk centrum van je wezen, opdat het geheel een uniek, coherent, volledig bewust wezen gaat vormen. Omdat dat goddelijk centrum zelf al helemaal aan de Godheid toegewijd is, wordt aldus alles aan de Godheid toegewijd indien het er harmonisch omheen geordend is. Dan, wanneer de Godheid het goedvindt, wanneer de tijd gekomen is, wanneer het werk van de individualisering beëindigd is, geeft de Godheid je de toestemming om je ego in Hem te laten versmelten opdat je nog uitsluitend voor Hem zou bestaan.

> Ik voeg eraan toe dat schrik een onzuiverheid is, en wel een van de grootse onzuiverheden, het meest direct afkomstig van de antigoddelijke krachten die een eind willen maken aan de goddelijke actie op aarde. De eerste plicht van degenen die werkelijk yoga willen doen bestaat erin met alle macht, alle oprechtheid en alle volharding waar ze toe in staat zijn ook maar de schaduw van de schrik uit hun bewustzijn te bannen. Om de weg te bewandelen moet men onverschrokken zijn en nooit die enggeestige, kleinzielige, zwakke, laaghartige zelfbekommernis hebben die de schrik is.

> Er is iets wat ik altijd gezegd heb, maar dat men altijd verkeerd begrepen heeft, namelijk de noodzaak van nederigheid.

> De ware nederigheid is die tegenover de Godheid, namelijk het duidelijke, nauwkeurige, authentieke gevoel dat men niets is, niets kan en niets begrijpt zonder de Godheid.

> Gewoon de houding: komt iets naar je toe, dan aanvaard je het, je gebruikt het; gaat het om de een of andere reden weer weg, dan laat je het gaan zonder spijt. Het niet weigeren wanneer het komt, het weten te gebruiken, en geen spijt hebben wanneer het weer weggaat.

> Slechts één ding is noodzakelijk: dat je je ononderbroken van de Godheid bewust bent.

> Meditatie is enkel en alleen een mentale activiteit; ze heeft alleen te maken met het mentale wezen. Men kan zich in de meditatie concentreren, maar dat is een mentale concentratie. Men kan aldus een stilte verkrijgen, maar dat is alleen maar een mentale stilte, en de andere delen van het wezen worden aan banden gelegd opdat ze de meditatie niet zouden storen.

> Concentratie is een meer actieve toestand. Men kan zich mentaal, vitaal, psychisch en fysiek concentreren, en men kan zich integraal concentreren. Concentratie, of het vermogen om zich op één punt te richten, is moeilijker dan meditatie. Men kan een deel van zijn wezen of van zijn bewustzijn verzamelen, of men kan het hele bewustzijn of zelfs fragmenten van het bewustzijn verzamelen, waarmee ik bedoel dat de concentratie partieel, totaal of integraal kan zijn. In elk van die gevallen zal het resultaat verschillen. (E50-51, 10)

> Mediteren is heel erg moeilijk. En er zijn allerlei soorten meditaties. Men kan een bepaalde gedachte nemen en die volgen om het ene of andere resultaat te bereiken; dat is dan een actieve meditatie. Degenen die een probleem willen oplossen of die iets willen schrijven mediteren op die manier zonder te beseffen dat ze aan meditatie doen. Anderen gaan neerzitten en proberen zich op iets te concentreren zonder een bepaalde gedachte te volgen; ze concentreren zich gewoon op een punt om hun vermogen tot concentratie te intensiveren. Dan gebeurt wat doorgaans gebeurt wanneer men zich op een punt concentreert: slaagt men erin zijn vermogen tot concentratie voldoende te verzamelen, hetzij op een mentaal punt, hetzij op een vitaal of fysiek punt, dan breekt men daar op een bepaald ogenblik doorheen en komt men uit in een ander bewustzijn. Nog anderen proberen alle bewegingen, alle gedachten, alle reflexen, alle reacties uit hun hoofd te verdrijven en een ware, stille rust te bereiken. Dit is buitengewoon moeilijk.

> Men moet werkelijk een inspanning doen vergelijkbaar met die van de spieren om bijvoorbeeld een gewicht op te heffen, als men wil dat de concentratie oprecht zou zijn en niet artificieel.

18. De integrale yoga

> Het is slechts het menselijk mentale, het beperkte menselijke bewustzijn dat de dingen als verschillend ziet, en die verschillen leiden tot verwarring.

> Is het mogelijk een totale transformatie van zijn wezen te bewerkstelligen zolang de collectiviteit op zijn minst geen bepaalde graad van transformatie heeft bereikt? Ik denk het niet.

> De ware macht, de macht die Sri Aurobindo ‘supramentaal’ noemt, zal niemand ooit kunnen manifesteren als hij niet absoluut vrij is van het egoïsme in al zijn vormen. Er is dus geen gevaar dat die macht in de verkeerde handen zal vallen.

> Elk fysiek wezen, hoe compleet ook, is slechts een deel van het grote geheel en daarom beperkt.

> Dus hebben jullie naast jullie eigen problemen eveneens af te rekenen met alle wrijvingen, alle contacten, alle reacties, met alles wat van buiten komt. Dat zijn testen die precies het zwakke punt raken, de plek die het moeilijkst te transformeren is. Het is in verband met dat punt dat je de woorden zult horen die je nu net niet wilde horen, dat je iemand of iets zult zien waardoor je wordt geschokt, dat je een omstandigheid, een handeling, een feit, een voorwerp of wat dan ook zult ontmoeten dat net is wat je doet denken: ik had daar liever niet mee te maken gehad. Toch zijn dat de dingen die zich aan jou zullen opdringen, meer en meer. Omdat je je yoga niet voor jou alleen doet maar voor iedereen, zonder het te willen, vanzelf.

> Het is duidelijk dat het individuele werk het eerst moet komen en dat het collectieve werk erop moet volgen, maar het is nu eenmaal zo dat vanzelf, zonder een bewuste tussenkomst van de wil, de individuele vooruitgang als het ware beheerst of beperkt wordt door de staat van de collectiviteit. Tussen de collectiviteit en het individu is er een wederzijdse afhankelijkheid waarvan men zich nooit helemaal kan losmaken, zelfs niet als men het probeert.

> [Een hiërarchie] is de ordening van de attributen en de manifestatie van ieders eigen natuur in de actie.

> Het ware spirituele leven begint wanneer je in verbinding bent met de Godheid in het psychische wezen, wanneer je je bewust bent van de goddelijke tegenwoordigheid in het psychische wezen en je in voortdurend contact bent met het psychische wezen. Dan begint het spirituele leven, niet eerder – het ware spirituele leven.

> Als men begrijpt, oordeelt men niet meer, en als men oordeelt, betekent het dat men nog niet begrijpt.

> Al die noties van wat juist en verkeerd is, van goed en kwaad, van hoger en lager, zijn allemaal noties die tot de onwetendheid van het menselijk mentale behoren. Wil men werkelijk in contact treden met het goddelijk leven, dan moet men zich totaal van die onwetendheid zien te bevrijden.

> Zolang je mentale iets werkelijks voor je is, zolang je manier van denken iets is dat voor jou waar is, reëel, concreet, bewijst dat dat je nog niet aan de overkant bent.

> Wat de zaak nog interessanter maakt, is dat dat soort werk, die harmonisering en ordening van het wezen rond het goddelijk centrum, slechts mogelijk is in een fysiek lichaam op aarde. Dat is werkelijk de essentiële en primordiale reden van het bestaan van het fysieke leven, want zodra je je niet langer in een fysiek lichaam bevindt, is het uitgesloten dat werk nog te doen.

> Dat werk van zelfontwikkeling, en van de ordening en bewustwording van alle elementen, is buiten het bereik van de vitale en mentale wezens, en zelfs van de wezens die gewoonlijk ‘goden’ worden genoemd. Willen zij het doen, willen ze hun wezen werkelijk ordenen en er volledig bewust van worden, dan zijn ze verplicht een [menselijk] lichaam aan te nemen.

> En dan zullen jullie ook iets belangrijks begrijpen, iets heel erg belangrijks, namelijk hoe je zonder ego kunt leven. Vóór je zover bent, begrijp je niets. Het hele leven is zodanig van het ego afhankelijk dat leven en handelen totaal onmogelijk lijken indien niet met en door het ego. Na die nieuwe geboorte kun je het ego echter met een glimlach aanzien en ertegen zeggen: ‘Mijn vriend, ik heb je niet meer nodig. ’ Dat is zelfs een van de gevolgen waardoor je een beslissend gevoel van bevrijding ondervindt. (E57-58, 380-83)

> De belangrijkste voorwaarde is een bijna kinderlijk vertrouwen, het argeloos vertrouwen van een kind dat zeker is dat zal komen wat nodig is en er niet eens aan twijfelt. Heeft het iets nodig, dan is het zeker dat dat komt. Dat soort vertrouwen is de belangrijkste voorwaarde.

> Ze kunnen precies dezelfde goede wil hebben, dezelfde aspiratie, hetzelfde verlangen om alles zo goed mogelijk te doen, maar degenen die in zich dat glimlachende vertrouwen hebben, die geen vragen stellen, die zich niet afvragen of ze iets al dan niet zullen hebben, of de Godheid al dan niet zal antwoorden, die hebben geen problemen, voor hen is alles een uitgemaakte zaak. ‘Wat ik nodig heb, zal me gegeven worden'.

> Het zijn de tegenwerpingen en de twijfels van het mentale die altijd alles verknoeien.

> Zo gaat dat. Je moet koppig blijven doorzetten, hardnekkig en met een loodrecht opklimmende aspiratie, die dus niet her en der gaat dwalen om van alles en nog wat te zoeken. Enkel en alleen dat: begrijpen, begrijpen, begrijpen, weten, kennen, zijn. En kun je tot helemaal bovenaan stijgen, dan valt er niets meer te begrijpen of te weten: je bent. Het is wanneer je bent dat je begrijpt en weet. (E55, 270-71)

> Wil een klein menselijk mentaal bewustzijn zichzelf instandhouden tegenover het universele mentale bewustzijn en apart blijven bestaan, dan zal het blijven wat het is: een heel beperkt iets, onmachtig om de natuur van de hoogste werkelijkheid te kennen of er zelfs een contact mee te hebben.

> Geeft het kleine menselijke mentale bewustzijn zich over, dan zal het in het universeel mentale versmelten. Het zal er één mee worden in kwaliteit en kwantiteit; het zal niets van zijn beperkingen en vervormingen verliezen en toch in ruil de volheid en een doorlichte helderheid ontvangen.

> De overgave is de beslissing om de verantwoordelijkheid voor je leven aan de Godheid over te laten.

> Je kunt je overgave doen langs de weg van de kennis of die van de devotie.

> Alle tegenstrijdige elementen van je natuur moeten met elkaar in harmonie worden gebracht. Je moet ze de een na de ander nemen en met het centrale wezen verenigen. Je kunt jezelf aan de Godheid offeren in een spontane opwelling, maar het is onmogelijk jezelf daadwerkelijk te geven zonder die eenmaking. Hoe meer je één bent, des te meer je in staat bent tot het geven van jezelf.

> Vergeet echter niet dat je niet meteen integraal toegewijd kunt zijn, want velen vallen ten prooi aan zo’n begoocheling.

> Want je wezen is vol tendensen die met elkaar in tegenspraak zijn. We kunnen zelfs zo ver gaan te zeggen dat dat bijna verschillende persoonlijkheden zijn.

> Als de Godheid een handje toesteekt, wordt het werk relatief gemakkelijk.

> Je hebt bepaalde manieren van begrijpen, van reageren, van aanvoelen, bijna bepaalde manieren om vooruit te gaan, en vooral een bepaalde manier om het leven te zien en er zekere dingen van te verwachten; welnu, dat alles moet je overgeven.

> Je overgave is niet compleet zolang je nog ergens aan gehecht bent.

> Wat je dus ook doet, wat je ook aanvat, wat je ook beproeft, wees er eerst zeker van dat je niet alleen zo oprecht mogelijk bent, maar dat je ook de intentie hebt om het nog in veel grotere mate te worden. Want het is je enige bescherming. (E56, 285-86)

> Hoeveel delen van je wezen zijn er niet die zich verborgen houden! Je stopt ze ergens weg omdat je ze niet wilt zien, of ze verbergen zich achter je rug opdat je ze niet zou vinden.

> De oprechtheid bestaat erin te maken dat alle delen van je wezen, alle wezensuitingen (zowel de uiterlijke als de innerlijke), dat alle delen van je wezen dezelfde wil hebben om de Godheid toe te behoren, om uitsluitend voor de Godheid te leven, om slechts te willen wat de Godheid wil, om alleen maar de goddelijke wil uit te drukken, om geen andere bron van energie te hebben dan de Godheid.

> Om volmaakt oprecht te zijn is het onontbeerlijk geen enkel verlangen te hebben, geen enkele begeerte, geen voorkeur voor iets, geen afkeer, geen sympathie en geen antipathie, geen verknochtheid, geen weerzin. Men moet in een totale, integrale visie van de dingen leven waar alles zich op zijn plaats bevindt en waar men tegenover alles dezelfde houding heeft: de houding van de waarachtige visie.

> Toch zal de oorsprong van alle vormen van onoprechtheid altijd eenzelfde wezensuiting zijn, een die voortkomt uit het verlangen en het nastreven van persoonlijke doeleinden – uit het egoïsme, uit de combinatie van alle beperkingen voortkomend uit het egoïsme, en uit alle vervormingen te wijten aan de begeerte.

> In feite kan men niet beweren dat een mens volkomen oprecht is zolang er in hem nog een ego aanwezig is, ook al spant hij zich in om oprecht te worden. Men moet het ego afleggen, zichzelf helemaal aan de goddelijke wil overlaten, zich geven zonder voorbehoud en zonder berekening. Dán kan men volmaakt oprecht zijn, niet eerder.

> Een lichaam bestaat uit honderden samengevoegde entiteiten die niets van elkaar afweten, die een harmonie vormen dank zij iets diepers dat hun onbekend is, en die van de lichaamseenheid geen idee hebben omdat ze noch van het grote aantal van de samenstellende elementen noch van hun verscheidenheid enig besef hebben.

> Fysieke kennis van iets bezitten staat gelijk aan het vermogen om het te doen. Welnu, dat is op alles van toepassing, ook op de transformatie.

19. Het supramentale

> Omdat de materiële, fysieke wereld, de hele aarde – laten we ons tot de aarde beperken – tot nu toe geregeerd is geweest door de krachten en de bewustzijnsvormen uit wat Sri Aurobindo de Overmind, het bovenmentale heeft genoemd. Zelfs wat de mensen ‘God’ hebben genoemd is een kracht of een macht die uit het bovenmentale afkomstig is; het hele heelal stond tot op heden onder de beheersing van het bovenmentale.

Note: deze paragraaf doet vermoeden dat eerder het bovenmentale gelijkgesteld is aan de essentiële en superessentiële wereld van Hylozoïca (wereld 46 en 45, de entiteiten die de aarde superviseren als de planetaire hiërarchie) en niet het Supramentale zoals ik vermoedde. Te onderzoeken.

> Er is in hetzelfde vlak als dat waarin de vijandige krachten de alleenheerschappij bezitten een grotere macht dan de hunne nodig, een macht die in staat is om ze op hun eigen terrein te verslaan – met andere woorden een spirituele macht met het vermogen om het bewustzijn en de materiële wereld te transformeren. Die macht is de supramentale kracht.

> Sri Aurobindo heeft ergens een zeer gedetailleerde beschrijving gegeven van alle mentale functies die voor de mens bereikbaar zijn. Als men dat leest, beseft men dat het voorlopig werkelijk overbodig is over het supramentale te spreken, omdat er heel wat etappes zijn die de mens nog niet doorlopen heeft alleen maar om de hoogste regionen van het mentale te exploreren.

> Alle levensvormen zijn relatief. Het eerste wezen dat niet langer een menselijk dier zal zijn, maar dat een goddelijk menselijk wezen, een goddelijke mens zal beginnen te zijn, zal iets totaal wonderbaarlijks lijken, ook al is het nog erg onvolmaakt in vergelijking met de volmaakte typen van de toekomstige soort.

> En dan is er nog een andere vraag, namelijk of het iets is dat individueel kan en zal gebeuren voordat het zich op collectieve schaal voordoet. Het is mogelijk. Maar geen enkele individuele verwezenlijking kan perfect zijn of ook maar de perfectie benaderen als ze niet in overeenstemming is met minstens een geheel van bewustzijnseenheden die representatief zijn voor een nieuwe wereld.

> Hoe wil je dan een onderscheid maken tussen het werk van de natuur als zodanig en dat van de Geest door middel van de natuur?

> Maar er moet in je wezen een voldoende aspiratie en medewerking aanwezig zijn opdat de verruiming ervan, de bewustzijnsverruiming, mogelijk zou zijn.

> Wat ook nodig is, is een aspiratie naar vooruitgang: niet tevreden zijn met wat je bent, zoals je bent, met wat je doet, met wat je weet of meent te weten, maar een aanhoudende aspiratie hebben naar iets méér, iets beters, naar een groter licht, een ruimer bewustzijn, een waardere waarheid en een universele goedheid – met daarbij een goede wil die nooit in gebreke blijft.

> Maar wat wel mogelijk moet zijn en wat er vlug moet kunnen komen is een nieuwe functie van je bewustzijn, een bepaald meesterschap over jezelf, een beheersing van het lichaam, een directe kennis van de dingen, de mogelijkheid om je te vereenzelvigen en een duidelijke visie in plaats van de wazige, troebele visie die alleen maar de oppervlakkige schijn ziet.

> Toen het mentale op aarde is neergedaald, is er, tussen het moment dat het mentale zich in de aardatmosfeer heeft gemanifesteerd en het moment dat de eerste mens is verschenen, ongeveer een miljoen jaar voorbijgegaan.

> Na 29 februari 1956 Men zou naar de overgangstijd tussen de schepping van het dier en van de mens moeten teruggaan om een tijdperk te vinden dat met het onze kan worden vergeleken.

> Ik heb jullie allen aangekondigd dat die nieuwe wereld geboren was, maar ze is door de oude zozeer verzwolgen geweest (bij wijze van spreken) dat het verschil tot nu toe voor velen niet erg duidelijk is geweest.

> Het is niet de oude wereld die getransformeerd wordt; het is een nieuwe die geboren is, en we bevinden ons volop in de overgangsperiode waarin beide elkaar nog overlappen. De oude blijft nog almachtig voortbestaan en overheerst het gewone bewustzijn volledig, maar de nieuwe glipt erin binnen, nog heel bescheiden, onopgemerkt – zodanig onopgemerkt dat ze voorlopig aan de oppervlakte niet veel verstoort en dat ze zelfs in het bewustzijn van de meesten totaal onwaarneembaar is. En toch is ze actief en groeit ze, tot het ogenblik dat ze sterk genoeg zal zijn om zich zichtbaar te bevestigen.

> Het individu gaat altijd vlugger vooruit dan de collectiviteit, en de mensheid is uiteraard voorbestemd om het supramentale vóór de rest van de schepping te manifesteren.

> Het belangrijkste blijkt dus te zijn dat we ons dat herinneren; dat we de zekerheid en het geloof hebben zelfs zonder de tastbare ervaring; dat we ons voortdurend dat idee herinneren, dat we het onszelf steeds opnieuw voor de geest halen, dat we ermee opstaan en ermee slapen gaan; dat we alles doen met op de achtergrond, als een onwankelbare steun, die grote waarheid dat we de geboorte van een nieuwe wereld aan het meemaken zijn.

> Heel duidelijk is dat ons waardeoordeel over wat goddelijk of ongoddelijk is niet juist is.

> Ook heb ik bij die personen opgemerkt dat wat hen helpt of wat hen verhindert om supramentaal te worden heel erg verschilt van wat we ons volgens onze gewone morele noties voorstellen.

20. De tegenwoordige tijd

> Er zijn zwaarlijvige mensen die niets afstotelijks hebben, maar [bij die vrouw] heb ik in één oogopslag al die perversie gezien, al die verziekelijking voorgesteld door die buik. Net een etterbuil was dat die de vraatzucht voorstelde, de ondeugd, de ontaarding van alle smaak, de ziekelijke begeerte, en die zichzelf bevredigt zoals geen enkel dier het zou doen, een en al vulgariteit en vooral perversie. Ik zag daarin de perversie van een verdorven mentaal bewustzijn ten dienste gesteld van de laagste gulzigheid.

> Als het individu er toch maar in toestemde gespiritualiseerd te worden. Als het er toch maar in toestemde … Er is iets in het individu dat daarom vraagt, dat daarnaar hunkert, maar de rest van zijn wezen wijst dat van de hand en wil blijven wat het is.


Lees dit spiekbriefje als pdf:

Lees het volledige boek hier